Volgens de legende is Lissabon gesticht door de Griekse held Odysseus tijdens zijn lange tocht naar huis, de Odyssee. Rond 1200 v.Chr. ontstond er een Fenicische handelspost. De Feniciers noemden de stad "Allis Ubbo" wat veilige haven betekent. Rond 200 v.Chr. werd de stad veroverd door de Romeinen. Toen het Romeinse Rijk uiteenviel, viel de stad in handen van volkeren uit het noorden en raakte ze in verval.
Onder de moslims, die rond 714 binnenvielen, bloeide de stad weer op en werd ze weer een belangrijk handelscentrum. De naam van de stad was al-Ushbuna of al-Ishbunah. Tijdens een belegering in 798 viel Alfons II van Asturië de stad binnen, maar wist haar niet te behouden. De Omajjaden van Andalusië namen in 809 de stad in op een rebellerende moslim, Tumlus. In 955 was het Ordoño III van León die Lissabon plunderde en kalief Abd-ar-Rahman III een vrede oplegde. Vanaf 1022 vormde Lissabon de onafhankelijke taifa Lissabon. Raymond van Bourgondië, erfgenaam van Galicië, trok in 1093 Santarém en Lissabon binnen. Yusuf ibn Tashfin, emir van de Almoraviden uit Marokko heroverde in 1094 de stad. In 1111 waren het wederom de Almoraviden, nu onder Sir ibn Abi Bakr, die Lissabon en Santarém innamen.
Koning Alfons I van Portugal, die zich in 1139 tot eerste koning van het in eerste instantie kleinere Portugal had uitgeroepen, veroverde Lissabon op 21 oktober 1147, na eerst een mislukte aanval in 1140, met hulp van onder meer de kruisvaarder Gilbert van Hastings. De belegering duurde 17 weken en de moslims gaven uiteindelijk door honger op. De christenen richtten onder de bewoners (154.000) van al-Ushbuna een waar bloedbad aan, waarbij zij weinig onderscheid maakten tussen christenen en moslims. Zo werd de bisschop van de stad, tezamen met een delegatie van andere christelijke en islamitische leiders, ook door de kruisvaarders vermoord. De overgebleven moslims kregen een vrije aftocht en verlieten behalve al-Ushbūna ook al-Ma'din (Almada) op de zuidoever van de Taag.
Alfonso I liet hierna een bestaand fort op een heuvel ombouwen tot koninklijk paleis. Het Castelo de São Jorge vervulde deze rol tot begin 16e eeuw. Tevens verrees de kathedraal Sé, waar Hastings als eerste bisschop van Lissabon zetelde. In de buurt hiervan bevindt zich het kerkje Santo António à Sé, dat gewijd is aan Antonius van Padua, de 13e-eeuwse beschermheilige van de stad. De zetel verhuisde uit Coimbra en Lissabon werd in 1255 hoofdstad van Portugal.
De stad ontwikkelde zich sterk, zowel economisch als cultureel; in 1290 werd bijvoorbeeld de Universiteit van Lissabon gesticht die later naar Coimbra is verplaatst en daar nog steeds is gevestigd. Met Vasco da Gama's ontdekking van de zeeweg naar Indië, rond 1500, begon de Portugese Gouden Eeuw. Koning Emanuel I liet na Da Gama's terugkeer het Mosteiro dos Jerónimos bouwen.
Op 1 november 1755 werd de stad getroffen door een zware aardbeving (beter bekend als de aardbeving van Lissabon). De vele doden, 15.000 volgens sommige bronnen, vielen niet alleen door instortingen, maar ook door branden en hoge golven uit de rivier. Onder de pragmatische premier, de latere Marquês de Pombal, werd aan de wederopbouw begonnen. Zijn invloed is terug te zien in het strakke stratenplan van het zuiden van de wijk Baixa. Ook de 20e-eeuwse dictator António de Oliveira Salazar moderniseerde de stad.
Rossio, het station van Lisboa
Taag
De Taag ontspringt op 1590 m hoogte op de hellingen van de Muele de San Juan in de Sierra de Albarracin in het oosten van Spanje. De rivier stroomt in westelijke richting en passeert Toledo, waar de middenloop begint. VoorbijAlcantara vormt de Taag over 60 km de grens tussen Spanje en Portugal. De benedenloop van de rivier begint bij het Portugese Santarem. Daar kan er over de Taag worden gevaren en is er al getijdenwerking. De Taag komt voor Lissabon in een estuarium uit, dat een belangrijke natuurlijke haven vormt, maar ook een waardevol natuurgebied.
Praça do Comércio
is een groot plein in het centrum van Lissabon, vlak bij de Taag. Het plein staat nu nog bekend als Terreiro do Paço (Paleisplein) naar het Ribeirapaleis, dat hier voor 1755 nog stond en dat toen verwoest werd door de grote aardbeving van Lissabon. Op het nieuwe plein werd in 1775 een standbeeld onthuld van de toenmalige koning Jozef I van Portugal.
De Arco da Rua Augusta is een historisch stenen gebouw in de vorm van een triomfboog op het hier boven genoemde plein. Het werd gebouwd ter herinnering aan de wederopbouw na de aardbeving van 1755. Het bestaat uit zes kolommen van ongeveer 11 meter hoog, en is versierd met beelden van historische figuren.
Elevador de Santa Justa
De geschiedenis van de lift begint op 30 april 1896, toen Raul Mesnier de Ponsard een concessie kreeg om een lift te bouwen en te exploiteren die de Rua Santa Justa verbindt met het hoger gelegen Largo do Carmo. Op 6 juni 1899 kreeg hij een voorlopige bouwvergunning en een maand later werd Empresa do Elevador do Carmo opgericht.
De partners in het bedrijf waren naast Engº Mesnier de Ponsard, Dr. João Silvestre D'Almeida (een chirurg) en de Marquês (markies) de Praia e Monforte. Het startkapitaal van het bedrijf bedroeg 75 conto de réis.[1] Ponsard bracht 16 conto de réis contant geld in en zijn concessie die gewaardeerd werd op 9 conto de réis. De andere partners brachten elk 25 conto de réis in.
De bouw van de lift werd begonnen op 2 juli 1900 en was gereed op 10 juli 1902. De brug die de lift verbindt met het Largo do Carmo loopt over Rua do Carmo 69. Het dak van dat huis is aangepast om de verbinding mogelijk te maken. Het puntdak werd vervangen door een plat dak en de eigenaar van het pand, de Conte do Toma, kreeg onder andere 1% van de jaarlijkse nettowinst alsmede zes kaartjes voor de lift voor zijn familie of eventuele volgende eigenaren van het pand.
Op de openingsdag werden meer dan 3000 kaartjes verkocht. Aan het einde van het eerste jaar waren er meer dan een half miljoen passagiers geweest, hadden ruim 52.000 mensen het terras bezocht waar extra voor betaald moest worden en hadden ongeveer 12.500 mensen betaald voor het gebruik van de op de top van de lift gemonteerde verrekijker.
Op 19 februari 1903 werd Empresa do Elevador do Carmo een naamloze vennootschap, die de exploitatie op 20 november 1905 in concessie gaf aan de Lisbon Electric Tramways Limited (het bedrijf dat al de exploitatie van de elektrische trams van Carris uitvoerde). In het contract stond een clausule (clausule 7) die de Lisbon Electric Tramways Limited (L.E.T.L.) het recht gaf de lift en bijbehorende eigendommen tegen een vaste prijs van 125 conto's te kopen. Indien ze van dat recht gebruik zou maken zou ze eigenaar worden van de concessie en de lift en zou de Empresa do Elevador do Carmo ophouden te bestaan.
In 1907 werd de stoomaandrijving vervangen door een elektrische aandrijving.
Chiado
Brand in de Chiado
In 1988 is de Chiado getroffen door een grote brand in Rua do Carmo, wat zich al snel verspreidde naar Rua Garrett. In totaal werden 18 gebouwen verwoest en waren meer dan 1600 brandweermannen bezig om de brand meester te worden. De brand wordt beschouwd als de grootste ramp van de stad na de aardbeving van 1755.
Bij de brand, die op een donderdag uitbrak in het warenhuis Armazens do Grandela, kwam een man om het leven en raakten 43 mensen gewond. Zes van waren zijn er ernstig aan toe en lagen met zware brandwonden in het ziekenhuis. Naar schatting 300 mensen, voornamelijk ouden van dagen met een laag inkomen, hebben door de brand huis en haard verloren.
De verzekeringsmaatschappijen schatten de brandschade op ruim 600 miljoen gulden. De vakbonden wezen erop dat ongeveer 2000 mensen door de brand werkloos zijn geworden.
Carmoklooster
Het gebouw is een voormalig klooster met bijbehorende kerk, gelegen in de wijk Chiado. Beide gebouwen raakten zwaar beschadigd tijdens de Aardbeving in Lissabon in 1755. De ruïnes van de gotische kerk zijn vandaag de dag het grootste nog bestaande bewijs van de aardbeving.
Het Carmoklooster werd in 1389 gesticht door de Portugese ridder Nuno Alvares Pereira voor de Karmelieten. Pareira had in 1385 het Portugese leger geleid in de Slag bij Aljubarrota. De eerste inwoners van het klooster waren Karmelieten uit Moura, die in 1392 hun intrede in het klooster namen. In 1404 doneerde Álvares Pereira zijn rijkdom aan het klooster en in 1423 werd hij er zelf monnik.
Op 1 november 1755 werden het klooster en de kerk grotendeels verwoest tijdens de aardbeving in Lissabon. De bibliotheek ging met zijn 5000 boeken geheel ten onder. De restanten van het klooster werden heringericht als militair kwartier. De kerk werd nooit geheel herbouwd en werd in 1864 gedoneerd aan de Associatie voor Portugese Archeologen, die er een museum van maakten.
Tijdens de Anjerrevolutie diende het klooster als laatste bolwerk van president Marcello Caetano en de soldaten die hem trouw waren.
De wijk Alfama ligt op een van de zeven heuvels van Lissabon, tussen Castelo de Sao Jorge en de Taag. Alfama is oudste wijk van Lissabon, in de tijd van de Moorse overheersing bestond Lissabon alleen uit Alfama.
Tramlijn 28
Met tramlijn 28 maak je een rondrit door de nauwe, kronkelige en steile straatjes (tot 14%) van de binnenstad van Lissabon. Je rijdt in een vintage tram langs vele bezienswaardigheden, onder andere in de wijken Baixa, Graça, Mouraria, Alfama en Estrela. Een hobbelig ritje van zo'n 50 minuten. Tijdens de rit zie je op een authentieke en voordelige manier de mooiste plekjes van de stad.
De tram is enorm populair bij toeristen. Maar het is ook nog steeds een belangrijk vervoermiddel voor bewoners van de stad.
Fado
Het is in Portugal een zeer gewaardeerde zangkunst die vroeger uitsluitend in armoedige kroegen werd gezongen.[1] In de loop van de twintigste eeuw werd fado een erkende zangkunst die vaak uitgevoerd wordt in de betere uitgaansgelegenheden.
Fado neemt een bijzondere plek in in het leven van vele Portugezen. Ze geeft stem aan de gemoederen van het leven, verdriet, melancholie, blijheid, weemoed, saudade en niet te vergeten de feeststemming
Castelo de São Jorge
Het Castelo de São Jorge of het Kasteel van Sint Joris is het bekendste kasteel van Lissabon. Het ligt op de hoogste heuvel van de stad en kijkt uit over de brede Taag (Rio Tejo). Het is een van de bekendste toeristische attracties van Lissabon. De fundamenten van het kasteel stammen al uit de 6e eeuw voor Christus. In 1147 werd het kasteel tijdens de belegering van Lissabon op de Moren veroverd.
Vanaf de burcht heeft men een weids uitzicht over de stad.
De eerste versterkingen op deze heuveltop dateren uit de tweede eeuw voor Christus maar archeologisch onderzoek heeft aangetoond dat hier al mensen woonden in de zesde eeuw voor Christus en mogelijk zelfs eerder. De heuvel werd gebruikt door lokale Keltische en Iberische stammen maar ook andere volkeren (Feniciërs, Grieken en Carthagen) lieten er hun sporen na. Later vestigden er zich Romeinen, Sueben, Visigoten en Moren op de plaats waar nu het kasteel staat.
Tijdens de zogenaamde Reconquista werd het kasteel en de stad Lissabon heroverd op de Moren. Dat gebeurde tijdens de Tweede Kruistocht, door koning Alfonso Henriques met de hulp van Noord-Europese kruisvaarders. Het Beleg van Lissabon, dat plaatsvond in 1147, was trouwens het enige wapenfeit van deze mislukte kruistocht. Volgens de legende zou de ridder Martim Moniz tijdens de gevechten hebben gemerkt dat de poort van het kasteel geopend was. Hij gooide zichzelf in de kier en zorgde ervoor dat de andere christelijke soldaten konden binnenvallen. In het kasteel staat een standbeeld voor Martim Moniz.
Het kasteel stelde Lissabon in staat zich te verdedigen tegen de Moren tijdens de laatste jaren van de twaalfde eeuw. In 1255 werd Lissabon de hoofdstad van het koninkrijk en werd het kasteel omgevormd tot koninklijk paleis, het zogenaamde Alcáçova. Rond 1300 liet koning Dinis I het grondig renoveren.
In 1373 liet koning Ferdinand I een nieuwe stadsmuur bouwen rond Lissabon ter vervanging van de oude Moorse muren. Het duurde amper twee jaar om de muur, die Cerca Nova of Fernandina werd genoemd, op te trekken. Ze had een lengte van 5400 meter en telde 77 torens. Slechts een paar stukken bleven bewaard. Het kasteel en de stad slaagden erin het Castiliaanse leger af te slaan in 1373 en in 1383.
Rond die periode, aan het einde van de 14de eeuw, werd het kasteel gewijd aan Sint-Joris door João I die getrouwd was met de Engelse prinses Philippa van Lancaster. Sint-Joris, die meestal wordt afgebeeld terwijl hij een draak bevecht, is populair in beide landen.
Van de 14de tot aan het begin van de 16de eeuw deed een van de torens (the Torre de Ulisses of Torre Albarrã) dienst als koninklijk archief. Om die reden worden de Nationale Archieven van Portugal nog steeds de Torre do Tombo (Toren van het Archief) genoemd.
Als koninklijk paleis was het kasteel het toneel van de receptie voor Vasco da Gama toen die terugkeerde uit India. Koning Manuel I ontving hem hier in 1498 als nationale held. Het was ook hier dat de beginnende toneelschrijver Gil Vicente in 1502 voor het eerst zijn Monólogo do Vaqueiro opvoerde ter ere van Manuel I's zoon en opvolger, João III.
Aan het begin van de 16de eeuw verloor het Kasteel van Sint-Joris aan belang omdat Manuel I een nieuw paleis liet optrekken aan de Taag. Het zogenaamde Ribeira Paleis stond op de plaats van het huidige Praça do Comércio maar werd beschadigd bij een aardbeving in 1531. In 1569 gaf Sebastiao I of Portugal de opdracht de koninklijke appartementen in het Kasteel van Sint-Joris opnieuw in te richten omdat hij van plan was daar in te trekken. Het project werd nooit beëindigd omdat Portugal werd geconfronteerd met een opvolgingscrisis. Tijdens de Iberische Unie (1580 tot 1640), waarbij Spanje heerste over Portugal, deed het kasteel dienst als legerkazerne en gevangenis.
De zware aardbeving van 1755 bracht het kasteel grote schade toe en zorgde voor verder verval. In 1788 werd, als direct gevolg van de aardbeving, een observatorium ingericht boven op een van de kasteeltorens. Die staat nog steeds bekend als de Torre do Observatório.
Van 1780 tot 1807 was Casa Pia gevestigd in de citadel. Deze liefdadigheidsinstelling stond in voor de opleiding van arme kinderen.
In de jaren 40 kwam een einde aan het verval van het kasteel en werd een grondige renovatie ingezet. De meeste structuren die later werden toegevoegd, werden afgebroken. Het kasteel werd een van de belangrijkste trekpleisters van Lissabon, bekend om het prachtige uitzicht over de stad.
Igreja de Sao Domingos
De uit de vroege middeleeuwen stammende kerk was sedert 1748 al onderhevig aan een grondige verbouwing door de Duitse architect Johann Friedrich Ludwig (die ook verantwoordelijk was voor het Paleis van Mafra) toen deze (op één kapel na) volledig verwoest werd door de aardbeving die Lissabon op 1 november 1755 trof. De herbouw werd voortgezet door de architect Manuel Caetano de Sousa (1738-1802), die de kerk van een zwaar barok uiterlijk voorzag.
Het leed was nog niet geleden; de kerk brandde in 1959 geheel en al uit. Het inmiddels sterk verarmde Portugal had geen middelen de kerk geheel en al in zijn oude luister te herstellen. De tot 1994 durende restauratie heeft de brandschade zichtbaar gelaten, de brandsporen op het marmer en de beelden, en de geblakerde pilaren vormen nu een integraal deel van de inrichting hetgeen de kerk een bijzonder somber en spookachtig aanzien geven.
Belem
Met de oprichting van het Koninkrijk Portugal door Afonso III , werd op zijn bevel koninklijke onderzoeken, of enquirições gerais (algemene onderzoeken) gedaan om titels te inspecteren van land dat door de adel en geestelijkheid werd opgeëist, stelde vast dat de bevolking rond Lissabon verspreid over de laaglanden, die geschikt waren voor landbouw. Bijgevolg werd Belém verbonden met de naburige stad door een brug bij Alcântara . De nabijheid van Belém aan de rivier de Taag stimuleerde ook de ontwikkeling van commerciële activiteiten in het kleine dorpje Aldeia do Restelo, wat zeelieden en andere zeevarenden aantrok die een veilige ankerplaats en bescherming tegen de wind zochten toen ze de rivier binnengingen. In de 14e eeuw vestigden de Moren zich op de omliggende landerijen en bewerkten deze om de stad van producten te voorzien; andere Moren, zowel vrij als tot slaaf gemaakt, werkten in de visserij. Ondertussen groeide de nederzetting in Restelo langzaam richting Lissabon.
Het was "om de dorpelingen religieuze en spirituele steun te geven" dat Hendrik de Zeevaarder , als gouverneur in de militair-religieuze Orde van Christus , de bouw initieerde nabij de vissershaven van een kleine kerk gewijd aan de heilige Maria . Henry gaf ook opdracht tot de bouw van een fontein en een watertrog in 1460 om de mensen en hun dieren van drinkwater te voorzien. De stichting van de kerk en het Jerónimos-klooster door Manuel I rond 1459 op de plaats van de oudere kerk resulteerde in de overdracht van de Orde van Christus aan de Jheronimitische monniken, en tegelijkertijd werd het omgedoopt tot Santa Maria de Belém. De bestaande structuur werd opgericht op bevel van Manuel I (1469-1521) aan de hoven van Montemor-o-Velho in 1495, als laatste rustplaats voor leden van het Huis van Aviz , in zijn overtuiging dat een Iberisch dynastiek koninkrijk zou regeren na zijn dood. In 1496 verzocht koning Manuel de Heilige Stoel om toestemming voor de bouw van een klooster aan de ingang van de Taag. Het was na de komst van Vasco da Gama een jaar later met stalen van goud dat hij had ontdekt dat het klooster een symbool werd van Portugees expansionisme. De kerk werd een gebedshuis voor zeelieden die de haven verlieten of binnenkwamen.
De Toren van Belem, officieel de toren van Saint Vincent (Portugees: Torre de São Vicente ), is een 16e-eeuws fort gelegen in Lissabon dat diende als vertrekpunt en ontscheping voor Portugese ontdekkingsreizigers en als ceremoniële toegangspoort tot Lissabon. Het werd gebouwd tijdens het hoogtepunt van de Portugese Renaissance , en is een prominent voorbeeld van de Portugese Manuelijnse stijl.
Het Jerónimos-klooster verving de kerk die vroeger op dezelfde plaats stond, die was gewijd aan Santa Maria de Belém en waar de monniken van de militair-religieuze Orde van Christus hulp verleenden aan zeevarenden op doorreis. De haven van Praia do Restelo was een gunstige plek voor zeelieden, met een veilige ankerplaats en bescherming tegen de wind, gewild door schepen die de monding van de Taag binnenvielen. De bestaande structuur werd ingehuldigd op bevel van Manuel I (1469-1521) aan de hoven van Montemor o Velho in 1495, als laatste rustplaats voor leden van het Huis van Aviz, in zijn overtuiging dat een Iberisch dynastiek koninkrijk na zijn dood zou regeren. In 1496 verzocht koning Manuel de Heilige Stoel om toestemming om ter plaatse een klooster te bouwen. De Hermitage van Restelo ( Ermida do Restelo ), zoals de kerk bekend stond, was al in verval toen Vasco da Gama en zijn mannen daar de nacht doorbrachten in gebed voordat ze vertrokken voor hun expeditie naar het Oosten in 1497l.
De bouw van het klooster en de kerk begon op 6 januari 1501 en werd 100 jaar later voltooid. Koning Manuel financierde het project oorspronkelijk met geld van de Vintena da Pimenta , een belasting van 5 procent op handel uit Afrika en het Oosten, gelijk aan 70 kilogram goud per jaar, met uitzondering van die belastingen geïnd op de invoer van peper , kaneel en kruidnagel , die rechtstreeks naar de Kroon gingen. Met de toestroom van dergelijke rijkdommen waren de architecten niet beperkt tot kleinschalige plannen en middelen die al waren voorgeschreven voor het klooster van Batalha, inclusief het Aviz-pantheon, werden doorgestuurd naar het project in Belém.
Manuel I koos de religieuze orde van jheronimitische monniken om het klooster te bezetten, wiens rol het was om te bidden voor de eeuwige ziel van de koning en om spirituele hulp te bieden aan zeevaarders en matrozen die vanuit de haven van Restelo vertrokken om landen over de hele wereld te ontdekken. Dit deden de monniken meer dan vier eeuwen tot 1833, toen de religieuze ordes werden opgeheven en het klooster werd verlaten.
Het klooster is ontworpen op een manier die later bekend werd als Manueline : een rijk versierde architectonische stijl met complexe sculpturale thema's waarin maritieme elementen en objecten zijn ontdekt die tijdens expedities op zee zijn ontdekt, uitgehouwen in kalksteen. Diogo de Boitaca , de architect, was een pionier in deze stijl in het klooster van Jezus in Setúbal. Boitaca was verantwoordelijk voor het tekenen van de plannen en het aannemen van werkzaamheden aan het klooster, de sacristie en de refter . Voor de constructie gebruikte hij calcário de lioz , een goudkleurige kalksteen gewonnen uit Ajuda , de vallei van Alcántara , Laveiras, Rio Seco en Tercena. Boitaca werd opgevolgd door de Spanjaard Juan de Castilho , die rond 1517 de leiding nam over de bouw. Castilho ging geleidelijk over van de Manuelijnse naar de Spaanse Platereske stijl, een versiering met weelderige versieringen die de decoratieve kenmerken van zilverwerk ( plata )suggereerden. De bouw kwam tot stilstand toen koning Manuel I in 1521 stierf.
Verschillende beeldhouwers hebben hun stempel op dit gebouw gedrukt : Nicolau Chanterene voegde diepte toe met zijn renaissancethema 's, terwijl de architect Diogo de Torralva in 1550 de bouw van het klooster hervatte door de hoofdkapel en het koor toe te voegen en de twee verdiepingen van het klooster te completeren met alleen Renaissance-motieven. Diogo de Torralva's werk werd in 1571 voortgezet door Jérôme de Rouen (ook wel Jerónimo de Ruão genoemd) die enkele klassieke elementen toevoegde. De bouw stopte in 1580 met de unie van Spanje en Portugal, aangezien de bouw van de Escorial in Spanje nu alle toegewezen fondsen aan het afvoeren was
Ponte 25 de Abril
De Christus Koning is een groot standbeeld van Jezus Christus bij Almada.
Het standbeeld werd gebouwd in opdracht van de Portugese dictator Antonio de Oliveira Salazar (de dictator) en werd voltooid in 1959. Het is gebaseerd op het beroemde standbeeld Christus de Verlosser in Rio de Janeiro. De Christus Koning staat in de gemeente Almada op de linkeroever van de rivier de Taag en kijkt uit over Lissabon op de andere oever.
De voet van het beeld is ontworpen door architect António Lino. Het heeft de vorm van een poort en is 75 meter hoog. Het beeld van Christus Koning is gemaakt door Francisco Franco de Sousa en is 28 meter hoog. Aan de voet is een platform waarop men een panoramisch uitzicht over de stad heeft. De bouw begon in 1950 en was na negen jaar voltooid.
De bouw van het beeld was goedgekeurd op een bisschoppelijke conferentie die in april 1940 in de bedevaartsplaats Fatima werd gehouden. Het was bedoeld als een smeekbede aan God om Portugal buiten de Tweede Wereldoorlog te houden.
Stad van de doden
De andere kant van Lissabon.
Maak jouw eigen website met JouwWeb