De oudste sporen van mensachtigen op Sicilië dateren van ongeveer twee miljoen jaar geleden. Er zijn stenen gebruiksvoorwerpen gevonden van die ouderdom, maar geen beenderen, waardoor het niet te achterhalen is welke soort mensachtigen het betrof. Er zijn meer sporen gevonden van de moderne mens vanaf 30.000 jaar geleden met de terugtrekkende ijstijd. De oorspronkelijke inwoners van Sicilië, voor de Griekse kolonisatie, waren de Elymiërs, Sicanen en Sicelen. Zij gaven het eiland zijn naam. Van deze stammen zijn de Sicelen waarschijnlijk het laatst op het eiland aangekomen rond 1200 v.Chr. De rotsnecropolis van Pantalica omvat meer dan 5.000 graftomben daterend van de 13e tot de 7e eeuw v.Chr.
De oudheid
Vanaf de 11e eeuw v.Chr. werden langs de westkust van Sicilië de eerste handelsposten van de Feniciërs gesticht. Later ontstonden er steden zoals Motya en Solunto die na verloop van tijd onder het gezag van het eveneens Fenicische Carthago kwamen te vallen. Vanaf de 8e eeuw v.Chr. werd het eiland gekoloniseerd door het Oude Griekenland en Sicilië vormde vanaf toen samen met zuidelijk Italië Magna Graecia. Er werden verschillende stadstaten gesticht, waaronder Agrigento, Selinunte, Himera, Messina en Syracuse dat na verloop van tijd de belangrijkste stad op het eiland werd. Uit deze tijd stammen een aantal grote Griekse tempels die nog steeds te bezichtigen zijn. Van 415 tot 413 v.Chr. vond de Siciliaanse Expeditie plaats. Deze slag was onderdeel van de Peloponnesische Oorlog en was een poging van Athene om Syracuse in te nemen en zo op termijn Sicilië in handen te krijgen. De oorlog zou in een drama eindigen voor Athene. In de 3e eeuw v. Chr. leefde Archimedes in Syracuse.
Romeinse tijd
Tijdens de Eerste Punische Oorlog, tussen Rome en Carthago van 264 v.Chr. tot 241 v.Chr., werd Sicilië grotendeels ingenomen door de Romeinen en werd het de provincie Sicilia binnen de Romeinse Republiek. Tijdens de Tweede Punische Oorlog (218 v.Chr. - 201 v.Chr.) kwamen veel steden in opstand en kozen partij voor Carthago. Deze opstanden werden neergeslagen en vanaf dat moment kwam het hele eiland volledig in handen van de Romeinen. Het eiland behield zijn Griekse cultuur en was vooral vanwege het graan belangrijk voor de Romeinen. Een opmerkelijke gebeurtenis was het bestuur door de landvoogd Gaius Cornelius Verres die in 70 v. Chr. terecht werd gesteld door Cicero wegens tirannie en wanbestuur. Van 44 tot 36 v.Chr. koos het eiland, tijdens een van de Romeinse burgeroorlogen, partij voor Sextus Pompeius waardoor de graantoevoer naar de stad Rome werd stopgezet. In de 3e eeuw deed het christendom zijn intrede op het eiland. De verhalen van de martelaren Agatha van Sicilië en Lucia van Syracuse stammen uit deze tijd. Toen het West-Romeinse Rijk in verval raakte werd het eiland aangevallen door de Franken en later ingenomen door de Vandalen. Later zou Sicilië worden ingenomen door het Byzantijnse Rijk.
Arabische tijd
Vanaf 827 werd het eiland veroverd door de Arabieren, en werd het Emiraat Sicilië gesticht. Er was fel verzet en het zou tot 902 duren voordat ze het eiland geheel in bezit hadden. Het laatste verzet werd pas in 965 de kop ingedrukt. De Arabieren introduceerden sinaasappels, citroenen, pistache en suikerriet en de bevolking kon haar christelijke religie behouden in ruil voor extra belastingen, de djizja. De Arabieren introduceerden ook ondergrondse irrigatiekanalen waarmee ook de stad Palermo van water werd voorzien. Hierdoor kon de stad uitgroeien tot de tiende stad van Europa.
Normandische tijd
De eerste aanval van de Normandiërs, die afstamden van de Vikingen vond reeds plaats in 860. Vanaf de 11e eeuw werden ze als huurlingen betaald door de Zuid-Italiaanse vorstenhuizen om Sicilië te veroveren. In 1091 was geheel Sicilië door Rogier I van Sicilië veroverd. Dit duurde lang omdat hij een redelijk zachte aanpak had en vaak samenwerkte met de islamitische bevolking. In ruil daarvoor bood hij hen religieuze vrijheid. Hij stichtte het christelijke graafschap Sicilië en zijn zoon het koninkrijk Sicilië dat ook het zuiden van het Italiaans schiereiland omvatte. Het eiland werd katholiek gemaakt en immigratie van het vasteland van Europa werd aangemoedigd.
Verlies van onafhankelijkheid
Toen in 1189 de laatste Normandische vorst zonder wettige zoon stierf, kwam de kroon in handen van Keizer Hendrik VI van het huis Hohenstaufen. Hierna zou het eiland nooit meer onafhankelijk worden en in de eeuwen die volgden steeds onder heerschappij van verschillende buitenlandse vorstenhuizen komen. In 1282 vonden de Siciliaanse Vespers plaats, grote opstanden van verschillende bevolkingsgroepen tegen de heerschappij van Karel I van Napels. Dit ontaardde in een razzia op iedereen die er maar van verdacht werd Frans te zijn. In deze tijd werd de vlag van Sicilië aangenomen met daarop een triskelion.
In 1492 nam de Spaanse kroon een wet aan die stelde dat alle Joden Spanje ofwel dienden te verlaten ofwel zich dienden te bekeren. Sicilië, in Spaanse handen, kreeg te maken met de Spaanse Inquisitie. Dit was een groot probleem aangezien het eiland een grote Joodse gemeenschap had waarbij de bevolking van een aantal steden voor tien procent uit joden bestond. Vanuit het Palazzo Chiaramonte zou de inquisitie driehonderd jaar jacht maken op Joden die zich bekeerd hadden maar in hun ogen niet katholiek genoeg waren en in de kerkers van het paleis zijn nog steeds muurtekeningen van de gevangenen te zien. Vanaf deze tijd verloor het eiland zijn multiculturele karakter.
Sicilië kwam onder de heerschappij van het huis Habsburg en later het huis Bourbon en werd voornamelijk gebruikt als bron van belastinginkomsten. Deze uitbuiting ontwrichtte de in de middeleeuwen nog bloeiende economie en zorgde voor sterk economisch verval. Het eiland zou regelmatig aangevallen worden door Barbarijse zeerovers. In 1693 vond een aardbeving plaats die grote verwoesting aanrichtte in het oosten van het eiland. Bij de wederopbouw ontstond de Siciliaanse barok.
Moderne tijd
Van 1816 tot 1860 bestond het Koninkrijk der Beide Siciliën, een samenvoeging van Sicilië en het Koninkrijk Napels. In 1861 werd het eiland onderdeel van het Koninkrijk Italië. Dit was mede te danken aan steun van de Britse Marine die ervoor zorgde dat Giuseppe Garibaldi in Marsala aan land kon gaan om zo het eiland uit de Spaanse invloedssfeer, het Huis Bourbon, te krijgen. De economie kon de concurrentie met het noorden echter niet aan. Een kleine groep van rijke grootgrondbezitters stond tegenover de bezit- en rechteloze landarbeiders. Opstanden werden hardhandig neergeslagen en zodoende emigreerden tussen 1880 en het begin van de Eerste Wereldoorlog veel Sicilianen naar de Verenigde Staten. Na de oprichting van de Italiaanse Republiek in 1946 bleven grote hervormingen uit, waardoor opnieuw veel Sicilianen naar het buitenland vertrokken.
Tegelijkertijd was de regering in Rome niet in staat om haar macht uit te oefenen op het eiland met als gevolg dat de Cosa nostra, de Siciliaanse maffia, in het machtsvacuüm stapte en haar macht tot in elk onderdeel van de Siciliaanse samenleving wist te vestigen. Onder Benito Mussolini werd de maffia hard bestreden en veel belangrijke en minder belangrijke maffiosi emigreerden naar de Verenigde Staten. Op 9 juli 1943 vond de geallieerde Landing op Sicilië plaats en na de Tweede Wereldoorlog wist de maffia zich weer te herstellen. In 1978 brak de maffiaoorlog uit tussen verschillende families en dit bracht enkele kopstukken ertoe om met justitie te gaan praten. Onderzoeksrechter Giovanni Falcone startte in 1984 de maxiprocessi di Palermo waarin 1400 personen werden aangeklaagd. Falcone zou in 1992 vermoord worden maar dit bracht grote oppositie op gang vanuit de bevolking.
Maak jouw eigen website met JouwWeb