De Brouwerij De Halve Maan, ook bekend als Brouwerij Henri Maes, is een brouwerij en lange tijd een familiebedrijf.
Het stadsregister vermeldt reeds in 1564 het bestaan van een brouwerij Die Maene aan het Walplein.
In 1856 werd Henri (Leon) Maes eigenaar van het pand en met de steun van zijn oom, kanunnik Petrus-Johannes Maes, bouwde hij Die Maene uit tot een moderne brouwerij: De Halve Maan. Men brouwde toen op een ambachtelijke manier troebel en zurig bier van hoge gisting met een beperkte houdbaarheid. Dit werd al eeuwen zo gedaan. De productie en verdeling gebeurde ook alleen maar in tonnen.
Zonen Henri II en Achère namen na de dood van Henri I (1867) de brouwerij over. Henri II ging in volle industriële revolutie in Engeland de nieuwste technieken leren, om deze later in Brugge toe te passen. Zo werden bij De Halve Maan een mouterij en een eest opgetrokken en werden Engelse bieren zoals stout en pale ale gebrouwen. Vanaf 1883 nam de productie gestaag toe, nadat de broers hadden geïnvesteerd in een moderne stoomketel. In 1905 overleden Achère en Henri II echter op jonge leeftijd en hun weduwen zetten de brouwerij voort.
In 1919 nam Henri III de touwtjes in handen. Op dat moment was Duitsland toonaangevend op brouwkundig vlak, dus ging Henri daar extra brouwerskennis opdoen. Hij leerde er de bieren van lage gisting kennen en besloot om ook dergelijke bieren in Brugge te gaan brouwen. In 1928 investeerde hij hiertoe in nieuwe koelinstallaties. Hij lanceerde "Bock", een licht pilsbier, wat de verkoop gevoelig deed stijgen. Tijdens de jaren 1930 begon hij ook aandacht te schenken aan de nieuwste trends van softdrinks (cola en limonade) en waters. Van thuisbedeling met paard en kar maakte Henri III een specialiteit. In 1946 nam hij de naastliggende brouwerij Brugge Zeehaven over, wat grote verbouwingswerken mogelijk maakte. Dit was nodig voor de stijgende productie. Het complex kreeg toen ongeveer zijn huidige vorm, met een koelschip, een grote moutvloer en een eest naar Duits model.
In de jaren 1950 werd Henri IV ook in de brouwerij actief. De brouwerij kende een sterke groei, met thuisbedeling als grote troef. Het tafelbier en de "Domino"-limonades deden het toen erg goed. Men had een hele ploeg ter beschikking die met paard en kar en later met vrachtwagens in West-Vlaanderen dranken aan huis leverde. Tijdens de jaren 1970 veranderden de leefomstandigheden echter vrij drastisch, waardoor het sterktepunt van de brouwerij het zwaktepunt werd. Warenhuisketens werden steeds populairder, maar de brouwerij was te kleinschalig om daar te kunnen leveren.
In 1981 brouwde Henri IV, die ondertussen de hulp van zijn dochter Véronique had gekregen, een speciaal "straf" bier van hoge gisting naar aanleiding van de inhuldiging van een beeld van Sint Arnoldus, de patroonheilige van de brouwers, in Brugge. Het bier kreeg de naam "Straffe Hendrik", naar de verschillende generaties Henri Maes, en kende een groot succes. Tijdens de jaren 1980 vormde men de brouwerij om tot een huisbrouwerij, opengesteld voor het publiek. De voormalige bottelarijen en mouterij werden ingericht tot gelagzalen. Véronique Maes liet hierbij de industrieel archeologische site restaureren. Het merk en het handelsfonds van Straffe Hendrik werden in 1988 echter door Brouwerij Riva uit Dentergem overgenomen. De productie in Brugge werd sterk teruggeschroefd, om ze in 2002 uiteindelijk te beëindigen en in Dentergem voort te zetten.
Xavier Vanneste, zoon van Véronique Maes en de huidige bedrijfsleider, startte in 2005 de brouwerij opnieuw op na een grondige renovatie en modernisering van de brouwinstallatie. Het nieuwe bier Brugse Zot werd gelanceerd. Het bier viel onmiddellijk in de smaak, zowel in Brugge als ver daarbuiten. Na het winnen van verschillende prestigieuze kwaliteitsprijzen op het allerhoogste niveau voor het bier, en door de stijgende populariteit ervan, moest de brouwerij haar capaciteit al meerdere keren zwaar uitbreiden. In 2005 verhuisde tevens het Brouwerijmuseum van de voormalige brouwerij De Gouden Boom, waarvan de gebouwen aan een projectontwikkelaar waren verkocht, naar de kelderverdieping van De Halve Maan.
Door het faillissement van Liefmans Breweries uit Dentergem in 2007 kwam het biermerk Brugse Straffe Hendrik tijdelijk in handen van Duvel-Moortgat. In 2008 sloot De Halve Maan een koopovereenkomst met Duvel-Moortgat voor het merk. De Halve Maan begon de Straffe Hendrik opnieuw te brouwen zoals dat oorspronkelijk werd gedaan: een tripel van 9%. Liefmans had van Straffe Hendrik namelijk een blonde en bruine versie van respectievelijk 6 en 8,5% gemaakt.
In het najaar van 2008 werd tevens het seizoensbier Brugse Bok voor het eerst gebrouwen. Vanaf september is dit bokbier telkens in beperkte hoeveelheid beschikbaar.
Sinds 2010 beschikt de brouwerij ook over een eigen bottelarij en logistiek centrum op het bedrijventerrein Waggelwater. De activiteiten die daar plaatsvinden werden voorheen uitbesteed aan een brouwerij uit Melle. Voor de nodige installaties werd de brouwerij Wolf in het Duitse Fuchsstadt overgenomen. Die werd ontmanteld, waarna de bottellijn en vatenlijn naar Brugge werden overgebracht. Ook werden zeven grote nieuwe tanks geplaatst, die samen 320.000 liter bier kunnen opslaan.
In het najaar van 2010 werd Straffe Hendrik Quadrupel gelanceerd, een zware versie van de tripel Straffe Hendrik, met een alcoholpercentage van 11%.
In 2019 werd de productie en commercialisatie van het witbier Brugs Tarwebier door de De Halve Maan overgenomen van Alken-Maes. Het bier werd oorpsronkelijk gebrouwen door brouwerij De Gouden Boom. Het biermerk kwam in 2000 echter in handen van Alken-Maes, die de naam wijzigde in "Brugs". De productie van het bier werd na de overname van brouwerij De Gouden Boom door Brouwerij Palm in 2003 en de sluiting in 2004 verplaatst naar achtereenvolgens brouwerij Palm en Alken Maes. Na de overname van het bier stuurde De Halve Maan het recept opnieuw bij, meer in de richting van het origineel, en wijzigde de naam terug in "Brugs Tarwebier".
In september 2016 nam de brouwerij een dubbele bierpijpleiding in gebruik die de brouwerij aan het Walplein verbindt met bottelarij in het Waggelwater. De leiding, die zowel Brugse Zot als Straffe Hendrik vervoert, is 3,2 km lang en zit op sommige plaatsen 34 meter diep onder de grond. Doel was het bannen van de vele tankwagens in de Brugse binnenstad, die samen zowat 5 miljoen liter vervoerden.
Het Groeningemuseum is het stedelijk museum voor Schone Kunsten in Brugge.
Het museum toont een uitgebreid overzicht van zes eeuwen Vlaamse en Belgische schilderkunst, gaande van Jan van Eyck tot Marcel Broodthaers. De verzameling Vlaamse Primitieven is internationaal bekend en lag aan de basis van de belangrijkste tentoonstellingen in de laatste decades. Maar daarnaast bezit het museum ook een belangrijke collectie van werken van de kleinere meesters die actief waren in Brugge in de vijftiende en de zestiende eeuw en werken die representatief zijn voor de ontwikkeling van de schilderkunst in de Lage Landen vanaf dan tot op heden.
Tijdens de bezetting van de Zuidelijke Nederlanden door de Fransen in 1794 werden de kerken, kloosters en openbare gebouwen leeggeroofd door de Fransen en alles wat niet te heet of te zwaar was werd naar Parijs afgevoerd. De revolutionaire ‘kunstcommissarissen’ hadden maar een paar maand nodig om meer dan 200 werken van de Vlaamse school aan te slaan.
De werken die niet naar Parijs waren afgevoerd werden opgeslagen in de voormalige Duinenabdij aan de Potterierei in Brugge en zo ontstond het Musée de l'Ecole Centrale du Département de la Lys (het Museum van de School van het Leiedepartement). Er werden in dit museum een vijfhonderdtal geconfisqueerde werken samengebracht en verscheidene topwerken van het Groeningemuseum komen uit deze collectie.
In 1816 werden een aantal werken die door de Fransen waren gestolen en overgebracht naar Parijs, aan Brugge terugbezorgd en ondergebracht in de Academie, onder meer de Madonna met kanunnik Joris van der Paele van Jan van Eyck, het Moreel-triptiek van Hans Memling en het Oordeel van Cambyses van Gerard David. De schilderijen in 1803 gerecupereerd van het Musée de l'Ecole Centrale, waaronder de Dood van Maria van Hugo van der Goes, de Doop van Christus van Gerard David en het Laatste oordeel van Jan Provoost waren ondertussen al ondergebracht in het Brugse stadhuis. De Academie kreeg in 1828 de toelating om de schilderijen van het stadhuis over te brengen naar hun eigen collectie en zo kwamen de werken die nu de kern vormen van de verzameling van Vlaamse Primitieven van het Groeningemuseum terecht in het museum van de Academie, eerst in de Poortersloge en daarna, vanaf 1866 in de Bogaerdenschool.
In 1892 droeg de Academie zijn collectie opnieuw over aan het stadsbestuur en dat was het begin van het Gemeentelijk Museum van Schilderkunst, het latere Museum van Schone Kunsten. De oorsprong van het Groeningemuseum gaat dus terug op het museum van de Academie in het begin van de achttiende eeuw en het is daarmee een van de oudste musea in België. Omdat de Bogaerdenschool niet echt geschikt was als tentoonstellingsruimte werd besloten een nieuw museum te bouwen naar een ontwerp van Joseph Viérin. Maar het zou nog tot 1930 duren voor het Groeningemuseum, op zijn huidige locatie werd ingehuldigd. In het nieuwe museum kon men de verspreid geraakte collecties terug samen brengen zodat de evolutie van de kunst van de vijftiende eeuw tot vandaag terug in één museum kan getoond worden.
In de beschrijving van de geschiedenis van het museum werd beschreven hoe de werken van de vijftiende tot de zeventiende eeuw in het museum terechtkwamen. De jongere werken (achttiende en negentiende eeuw) waren voornamelijk afkomstig van de collectie van de Academie voor teken- en schilderkunst. Die werd opgericht in 1717 en volgens de statuten moest elke Brugse kunstenaar een kunstwerk aan de Academie schenken. De verzameling kreeg onderdak in het academiegebouw dat in 1755 afbrandde, waarbij de collectie verloren ging. Maar de regel bleef uiteraard van kracht en zo werd de basis gelegd van de verzameling van achttiende-eeuwse Brugse kunst. Er zijn ook veel werken die door oud-leerlingen geschonken werden en zo groeide een belangrijke collectie van neoclassicisten.
Ook belangrijke legaten deden de collectie groeien. Zo werd de basis van het prentenkabinet van de Brugse musea gelegd door een legaat van John Steinmetz. De collectie bestond uit 14.000 werken op papier afkomstig van meer dan duizend verschillende kunstenaars.
In de nadagen van de tentoonstelling Les Primitifs Flamands, die plaatsvond van 15 juni tot 15 september 1902, werd in 1903 de vereniging Société des amis des musées de Bruges (Vrienden van de Brugse Musea) opgericht. Deze vereniging, onder het voorzitterschap van Baron Kervyn van Lettenhove, presteerde het om op elf jaar tijd de collectie met 45 werken uit te breiden. Hun werking leidde bovendien tot een aantal belangrijke legaten zoals de schenking van de Brits-Brugse kunstenaar Frank Brangwyn, die volgens zijn wens werd ondergebracht in het Arentshuis.
Enkele hoogtepunten uit het museum zijn:
- de verzameling Vlaamse Primitieven met een breed gamma werken uit de late middeleeuwenen de renaissance.
- een beperkte collectie schilderijen uit de barok.
- een selectie schilderijen uit de achttiende en negentiende eeuw, gaande van het neoclassicismetot het realisme.
- de mijlpalen van het Belgische symbolismeen modernisme.
- de meesterwerken van het Vlaamse expressionisme.
- de stukken uit de verzameling moderne naoorlogse Belgische kunst.
Het Groeningemuseum maakt deel uit van de Vlaamse Kunstcollectie en is gevestigd aan de Dijver in Brugge.
Het Gruuthusemuseum is een museum van geschiedenis en toegepaste kunst in Brugge. Het museum is ondergebracht in het 15e-eeuwse stadskasteel of stadspaleis van de heren van Gruuthuse aan de Dijver in het oude centrum van de stad. Het Gruuthusemuseum bezit een gevarieerde verzameling historische voorwerpen en sierkunst van de 13e tot de 19e eeuw.
Men treft er naast een grote collectie beelden, bezienswaardige Brugse wandtapijten en meubilair, edelsmeedwerk, tin, wapens, keramiek en muziekinstrumenten aan. Het paleis met de verscheidene interieurs ademt een bijzondere sfeer. Vooral in de keuken en in de originele middeleeuwse bidkapel, gebouwd in 1472, waant men zich nog in de late middeleeuwen. De beroemdste bewoner van dit monumentale pand was Lodewijk van Gruuthuse.
Een van de blikvangers was de beruchte 18e-eeuwse guillotine, opgesteld in de wapenzaal.
Het "Gruut"
Boudewijn van Lede kreeg omstreeks 1200 het leen van het gruut door graaf Boudewijn IX toegekend. De familie van Brugge, voorouders van de familie van Gruuthuse, verkregen dit leen op niet nader gekende datum.[2] Dit betekende dat de Gruuthuses het monopolie bezaten op de verkoop van de gruit aan de brouwers. Later hield het gruutrecht ook in dat zij belasting mochten heffen op het gebrouwen bier zelf. Daarmee hadden de Gruuthuses rijkdom, status en invloed weten te verwerven, gesymboliseerd door hun herenhuis, genaamd huis van de heren van Gruuthuse, dat ze lieten bouwen aan de voet van de belangrijke Onze Lieve Vrouwekerk te Brugge.
Jeugd
Lodewijk (of Loys of Ludovicus) werd geboren als de enige zoon van Jan IV van Brugge, en Margriet van Steenhuyse, vrouwe van Avelghem. Hij groeide op in de weelde en rijkdom van Vlaanderens Gouden Tijdperk, de vijftiende eeuw. Bij zijn opvoeding werd de nodige aandacht besteed aan lessen in krijgskunst. Lodewijk van Gruuthuse nam onder meer in 1443, 1444, 1447, 1448 en 1450 deel aan het Brugse Toernooi van de Witte Beer. Hij kwam onder de aandacht van de hertog van Bourgondië en graaf van Vlaaderen Filips de Goede (1396-1467), die hem in 1445 tot zijn schildknaap-wijnschenker benoemde. Als hoveling reisde Lodewijk vaak mee in het gevolg van Filips en ontmoette zo de meest invloedrijke edelen en vorsten van zijn tijd. Hij ontwikkelde zich tot een volleerd diplomaat en wist zo zijn plaats aan het Bourgondische hof veilig te stellen. Spoedig zou hij vooral zijn militaire vaardigheden, ook buiten het toernooiveld, kunnen tonen.
Oorlog
Een conflict met Gent over een zouttaks escaleerde en in 1447 verklaarde de trotse stad Filips de Goede openlijk de oorlog. Gruuthuse werd door de hertog benoemd tot bevelhebber over de stad Brugge en hij toonde zich een dapper en trouw bondgenoot. In de winter van 1452-1453 richtte de Zoutoorlog grote verwoestingen aan op het Vlaamse platteland maar met het aanbreken van het voorjaar wist de hertog zijn troepen om zich heen te verzamelen voor een offensief tegen Gent. Gruuthuse werd eerst het commando over de Bourgondische troepen in Oudenaarde toevertrouwd teneinde de Scheldeblokkade te overzien en vervolgens werd hij stadhouder van Brugge. Toen de Gentenaars zich op 27 mei 1452 in massa voor de stad aanboden met als doel de Bruggelingen in hun strijd tegen de hertog te betrekken, hield Gruuthuse de poorten strak gesloten. Hij nam als veldheer deel aan de Slag bij Gavere op 23 juli 1453 en werd nadien door Filips tot ridder geslagen. De weerstand brak volledig en de Gentse troepen werden bloedig afgeslacht. Gruuthuse bepleitte bij de hertog dat Gent voor plundering gespaard zou blijven waarop Filips hem genadig zou hebben geantwoord: “Als ik deze stad zou verwoesten, wie bouwt mij er dan weer één als deze?”
Begin 1454 nam Gruuthuse deel aan het toernooi en het roemruchte Banket van de Fazant in Rijsel, waar alwie iets betekende aan het Bourgondische hof op aanwezig was en zoals de anderen legde hij de eed af dat hij zich ter beschikking stelde om kruistocht te voeren en Constantinopel weer op sultan Mehmet te herwinnen.
In 1461 maakte hij deel uit van het gevolg van Filips de Goede dat in Parijs de blijde intrede van koning Lodewijk XI bijwoonde en hij nam ook hier aan het toernooi deel. In 1466-68, onder leiding van Karel van Charolais, nam hij deel aan de Guerre du Bien Public tegen Lodewijk XI en voerde hij troepen aan bij de vernielingen van Luik en Dinant.
Huwelijk en kinderen
In 1455 was Gruuthuse getrouwd met Margaretha, gravin van Borssele, lid van een van de meest vooraanstaande families van Zeeland. Zij was een dochter van Hendrik II van Borselen en Johanna van Halewijn en dus een zuster van Wolfert VI van Borselen, die Gruuthuse in 1477 zou opvolgen als stadhouder van Holland, Zeeland en Friesland
Hun eerste zoon, Jan V, werd geboren in 1458. Het echtpaar kreeg hierna nog een zoon, Lodewijk II, en twee dochters, Maria Margaretha en Johanna. Gruuthuse zou ook een bastaarddochter hebben verwekt.
Karel de Stoute, Maria de Rijke en Maximiliaan
Karel, de graaf van Charolais, die bekend zou worden als Karel de Stoute (1433-1477), volgde zijn vader op in 1467. Gruuthuse werd eveneens diens vertrouwde raadsheer en als zodanig begeleidde hij hem bij allerlei diplomatieke en militaire missies.
Na de dood van de hertog op het slagveld voor de poorten van Nancy behoorde Gruuthuse onmiddellijk tot de vertrouwelingen van diens dochter en erfgename Maria van Bourgondië, ook bekend als Maria de Rijke. Hij trad vooral op als bemiddelaar tijdens de woelige gebeurtenissen in Gent, waar iedereen rond het hof aankwam met een eigen huwelijkskandidaat voor de jonge hertogin. Lodewijk nam Maria mee naar zijn huis in Brugge, waar ze even rust kreeg om haar gedachten te ordenen. Daar besloot ze een brief te schrijven aan Maximiliaan van Oostenrijk, met wie ze jaren eerder bij mislukte huwelijksonderhandelingen al eens portretjes had uitgewisseld.
Uit dankbaarheid voor zijn steun in die moeilijke tijd benoemde zij Gruuthuse tot eerste kamerheer. Hij werd medeonderhandelaar voor het huwelijk van Maria met Maximiliaan van Habsburg. Toen de latere Filips de Schone (1478-1506), de zoon van het hertogelijke paar in 1478 werd geboren, werd Gruuthuse tot zijn kamerheer aangesteld.
Maria stierf op jonge leeftijd – zij was pas vijfentwintig toen zij ongelukkig van haar paard viel - en haar echtgenoot, de ambitieuze Maximiliaan I, kwam al snel in conflict met de adel en de steden van Vlaanderen toen hij trachtte zijn macht ten koste van hen uit te breiden. Gruuthuse zelf wierp zich op als een van de leidende figuren van het verzet tegen Maximiliaan. Die gaf zijn akkoord om het bewind over Vlaanderen over te dragen aan een regentschapsraad, waarvan Gruuthuse een van de drie leden was. Maximiliaan gaf zich evenwel niet gewonnen, kwam later op zijn woord terug en in 1485 deed hij Gruuthuse gevangennemen. Hij ontkwam aan terechtstelling dankzij de voorspraak van zijn ordebroeders van het Gulden Vlies. Hij werd uit de gevangenis bevrijd in 1488 op voorspraak van de piepjonge Filips de Schone en repte zich naar Brugge om er de vrijlating te bepleiten bij zijn stadgenoten van Maximiliaan die ze hadden gevangengenomen. Hij werd nadien door de vrijgekomen Maximiliaan weer gevangengezet. Hij slaagde er evenwel in te ontsnappen.
Zijn laatste jaren besteedde Gruuthuse aan strijd tegen Maximiliaan. Dit werd hem verweten door de ridders van het Gulden Vlies die hem in hun kapittel van mei 1491 van verraad beschuldigden. Hij was nu helemaal in ongenade gevallen en zijn leven eindigde in mineur. Hij stierf in Brugge op 24 november 1492. Naar verluidt woedde er een hevige donderstorm over de stad toen zijn lichaam werd bijgezet in de O.-L.-Vrouwekerk te Brugge.
De wapenspreuk van Gruuthuse luidde: Plus est en vous.
Raadsheer en stadhouder
Na de oorlog tegen Gent werd Gruuthuse raadsheer van de hertog en het vertrouwen dat de Bourgondiërs in hem stelden was zo groot dat hij tot de delegaties behoorde die in Engeland het huwelijk gingen bespreken tussen Karel van Charolais, de zoon van de hertog, en Margaretha van York, zuster van koning Eduard IV van Engeland.
In 1461 werd Lodewijk van Brugge, heer van Gruuthuse opgenomen in de orde van het Gulden Vlies. Hij droeg nu de titels heer van Gruuthuse, prins van Steenhuize, heer van Avelgem, Haamstede, Oostkamp, Beveren, Tielt-ten-Hove en Spiere. In 1468 zat hij het kapittel voor dat voorafging aan de weergaloze feesten voor het huwelijk van hertog Karel met Margaretha van York.
Tussen 1463 en 1477 bekleedde hij de positie van luitenant-generaal (of stadhouder) in Den Haag als hoogste vertegenwoordiger van de hertog in de Bourgondische gewesten Holland, Zeeland en Friesland (hoewel deze laatste feitelijk geen deel uitmaakte van het Bourgondische rijk). Tijdens de winter van 1470-1471 gaf Gruuthuse onderdak aan koning Eduard IV, die zijn land had moeten ontvluchten door de Rozenoorlogen die daar woedden. Uit dankbaarheid schonk Eduard zijn gastheer de erfelijke titel van Graaf van Winchester – een uitzonderlijke eer voor een niet-Engelsman. In 1500 retourneerde Jan V, dan in dienst van het Franse hof, deze titel aan de Engelse koning Hendrik VII.
In de geschiedenis van Heemstede wordt melding gemaakt dat deze plaats vanaf 1462 korte tijd eigendom was van Gruuthuse.
Bibliofiel
Lodewijk van Gruuthuse was bezitter van een voor zijn tijd zeer uitgebreide bibliotheek. Hij liet heel wat boeken, verlucht met miniaturen, op bestelling voor hem produceren. Hij was zeer geïnteresseerd in het groot toernooi dat in 1393 in Brugge 50 edelen onder leiding van zijn overgrootvader Jan I van Gruuthuse deed strijden tegen 50 edelen die werden aangevoerd door Jan van Gistel. Hij liet drie handschriften maken van het bekende toernooienboek van koning René van Anjou, liet ze met prachtige miniaturen verluchten en voegde er enkele folio's aan toe die het tachtig jaar eerder gehouden toernooi in herinnering brachten.
Lodewijk was niet minder aangetrokken door de opkomende boekdrukkunst. Hij gaf opdrachten aan de vooraanstaande Brugse drukker Colard Mansion, met wie hij nauwe relaties had zoals blijkt uit het feit dat hij peter werd van zijn zoon. Het belet niet dat hij toch nog tot op het einde van zijn leven handschriften bestelde en zelfs gedrukte boeken met de hand deed overschrijven op perkament. Zijn zoon Jan V, gevangengenomen in de Slag bij Guinegate, trad in 1479 in dienst van het Franse hof en schonk (of verkocht) een groot deel van zijn vaders bibliotheek aan Lodewijk XII.
Gruuthuse was wellicht ook de eigenaar van het in de twintigste eeuw naar hem genoemde Gruuthuse-handschrift, een bundeling van vele unieke Middelnederlandse teksten, waaronder het Kerelslied en het lied 'Egidius waer bestu bleven'.
Het Sint-Janshospitaal was ooit de belangrijkste middeleeuwse stedelijke instelling voor zieken, armen en behoeftigen in de stad Brugge. Sinds 1977 zijn de middeleeuwse ziekenzalen ingericht als museum. Dat museum vertelt het verhaal van het gebouw, de zieken- en zielszorg en de kloostergemeenschap aan de hand van gebruiksvoorwerpen en kunstwerken van onder meer Hans Memling. Op de huidige Sint-Janssite staat nog steeds het middeleeuwse hospitaalgebouw, dat nu een museum geworden is, het klooster van de zusters en het klooster van de broeders dat later de apotheek werd, het in de negentiende eeuw gebouwde hospitaal ontworpen door Isidoor Alleweireldt, nu Congrescentrum Oud-Sint-Jan, de neus-keel-oorkliniek en de oogkliniek en de vroegere materniteit.
Geschiedenis
Het Sint-Janshospitaal kwam tot stand rond 1150 of vroeger en was hierdoor een van de oudste ziekenzorginstellingen op het Europese vasteland. De datum 1188 is die van het eerste beschikbare document, het reglement dat werd opgesteld ten behoeve van de zusters en broeders die het hospitaal bedienden, zodat het niet onredelijk was te vermoeden dat de stichting al op een vroegere datum was gebeurd, wat trouwens door archeologische opgravingen werd bevestigd. Uit die vroegste periode werden bouwfragmenten teruggevonden. De nog bestaande grote ziekenzaal werd rond 1200 gebouwd, hoofdzakelijk in Doornikse steen. Rond 1220 werd het broederklooster gebouwd, later als apotheek gebruikt. De gebouwen werden in de volgende eeuwen regelmatig uitgebreid, verbouwd en gerenoveerd. De kerk dateert uit de vijftiende eeuw en werd in de zestiende eeuw aangevuld met een kapel, toegewijd aan de heilige Cornelius. De kerk sloot aan bij de grote ziekenzaal, zodat vanuit hun bedstede de patiënten de goddelijke diensten konden volgen.
Het hospitaal werd ingeplant aan de Mariastraat, de toenmalige invalsweg vanuit Gent en Kortrijk. Van de eerste oorspronkelijke zaal zijn enkel de funderingen en wat muurfragmenten teruggevonden. Om te voldoen aan de stijgende behoefte voor opvang van zieken, pelgrims en reizigers begon men begin 13de eeuw met de bouw van de drie nieuwe ziekenzalen. Een bouwfase die duurde tot ongeveer 1310. Later bouwde men het mannenklooster (14de eeuw) en het zusterklooster (1544).
Na het verdwijnen van de broedergemeenschap op het einde van de zestiende eeuw, stonden de zusters augustinessen alleen in voor het beheer en de ziekenzorg. De leiding berustte hiervoor bij de door de zusters verkozen overste, mevrouw genoemd. Ze werd bijgestaan door voogden, gekozen onder de voornaamste burgers van de stad en aangesteld door het stadsbestuur.
Vanaf 1796 kwam het hospitaal onder het bestuur van de Commissie van Burgerlijke Godshuizen, vanaf 1925 van de Commissie voor Openbare Onderstand (COO), in 1977 omgevormd tot het huidige OCMW. De bestuursverantwoordelijkheid bleef in de handen van Mevrouw. Begin de jaren 1960 werd een directeur benoemd, die het bestuur voortaan in handen nam.
19e-eeuwse hospitaal
Door de evolutie van de tijd en een nieuwe kijk op de ziekenzorg en de hygiëne, werden vanaf het midden van de 19e eeuw nieuwe gebouwen een noodzaak. Een hospitaal met zestien ziekenzalen en een hoofdgebouw werd in 1864 opgetrokken, rond een binnentuin. De plannen waren van de hand van architect Isidoor Alleweireldt (1824-1892). Voor de bouw ervan moesten de brouwerij, een groot deel van de tuin en het kerkhof van het historische ziekenhuis verdwijnen.
Geleidelijk aan werden de negentiende-eeuwse ziekenzalen overbevraagd en maximaal aangewend, vooral na 1950. Tussen de verschillende vleugels, waar tuinen voor de patiënten waren aangelegd, werden bijkomende gebouwen opgetrokken. Ook in wat overbleef van de vroegere tuinen werd gebouwd, enerzijds als uitbreiding van het kloostergebouw vanwege het stijgend aantal kloosterzusters, anderzijds voor de ziekenzorg en de gespecialiseerde afdelingen. Verschillende prefabgebouwen werden toegevoegd, in afwachting van de verhuis naar het nieuwe hospitaal, die heel wat jaren op zich liet wachten.
Nadat de verhuis naar het AZ Sint-Jan in Sint-Pieters in 1977 voltooid was, bleven de negentiende-eeuwse gebouwen en de meer recente toevoegingen onbeheerd achter. Ze werden stilaan het voorwerp van vandalisme. Er werden plannen gesmeed om de totaliteit van de gebouwen af te breken en er ruimte te scheppen voor de bouw, hetzij van woningen, hetzij van een groot hotel. Deze en gelijkaardige ideeën strandden echter toen duidelijk werd dat de negentiende-eeuwse gebouwen in 1942 behoorden tot het genomen beschermingsbesluit van het geheel als onroerend erfgoed.
De stad Brugge besliste in 1981 het volledige complex in langdurige erfpacht te geven aan een vennootschap die dacht er, na restauratie, antiekzaken met internationale reputatie in onder te brengen. Dit idee kwam echter niet van de grond en de erfpacht werd overgenomen door oud-burgemeester Michel Van Maele en een groep van investeerders. De verwaarloosde gebouwen en de verwilderde tuinen werden grondig aangepakt. Voortaan werden de gebouwen, onder de naam Oud Sint-Jan in gebruik genomen voor uiteenlopende doelen: congressen, tentoonstellingen, feestelijkheden, jaarbeurzen, winkels, restaurants. Na het overlijden van Michel Van Maele werd de vennootschap overgenomen door de Spaanse vennootschap die ook eigenaar was geworden van het Boudewijnpark.
Hans Memling en het Sint-Janhospitaal: het Memlingmuseum
In het Sint-Janshospitaal werden zieken en behoeftigen opgevangen, maar van echte ziekenzorg was voor de 19de eeuw weinig sprake. Zo was er lange tijd geen arts verbonden aan het hospitaal, wel een priester. Medische handelingen zoals aderlaten of een gebroken arm zetten deed de barbier of de chirurgijn. De religieuze zusters augustinessen verzorgde de patiënten, die drie maaltijden, propere kledij en een bed kregen. De erediensten in de kapel die in de noordelijke beuk van het hospitaal is geïntegreerd zorgde voor een permanent contact met God. In de ziekenzalen waren kleine altaren opgesteld, gewijd aan een of andere geneesheilige. De heilige Rochus werd aanbeden tegen de pest, de heilige Lucia voor allerlei oogaandoeningen, en de heilige Cornelius als beschermer voor epilepsie en kinderziekten.
De heilige Ursula werd aanroepen voor een goede dood. Al omstreeks 1400 was er een schijn met relieken van die heilige Ursula en haar 11.000 maagden in het hospitaal aanwezig. In 1489 werden die relieken plechtig overgebracht naar een veel imposanter Ursulaschrijn, geschilderd door Hans Memling in opdracht onder meer van twee kloosterzusters van Sint-Jan. Dat grote schrijn bleef in de kapel van het Sint-Janshospitaal bewaard tot 1839, toen het naar de kapittelkamer in het klooster van de zusters werd overgebracht om er samen met de andere schilderijen die Memling in opdracht van de kloosterorde maakte, het eerste Memlingmuseum te vormen. Anno 2019 is de collectie van dit museum te zien in de ziekenzaal van het Sint-Janshospitaal.
Het grote Sint-Jansdrieluik van Memling was daar sinds de 17de eeuw opgesteld, toen de hospitaalkapel een barokke interieurinrichting kreeg met een altaarstuk van Jacob van Oost. Hans Memling schilderde ook twee kleine drieluiken in opdracht van hospitaalbroeders Jan Floreins en Adriaan Reyns, die in dat museum het gezelschap kregen van het Tweeluik van Maarten van Nieuwenhove en het Portret van een jonge vrouw, schilderijen uit Brugse opgedoekte instellingen na de Franse Revolutie. De werken van Hans Memling werden dankzij het onderzoekswerk van James Weale en andere gezaghebbende critici, die de Vlaamse Primitieven in kerken en kloosters bestudeerden en deze meesters via archieven herontdekten.
Rond het midden van de negentiende eeuw werden de nieuwgebouwde ziekenzalen in gebruik genomen. De middeleeuwse ziekenzalen kregen een andere invullingen. Het eerste vooruitzicht was dat deze "ongezonde gebouwen" zouden worden gesloopt, maar dit ging niet door. De grote ziekenzaal werd hoofdzakelijk benut als kapittelzaal voor de toen nog talrijke kloostercongregatie. Ze werd daarnaast gebruikt voor het organiseren van concerten, bijeenkomsten en medische congressen. In 1958 krijgt een groot gedeelte van het patrimonium van het oude hospitaal onderdak in de oude ziekenzalen. Alleen de kapel blijft nog in gebruik tot in 1984 voor zowel de kloosterzusters, als voor de uitvaarten van in het ziekenhuis overleden patiënten en (tot in 1977) voor het dopen van in de materniteit geboren kinderen. In het voormalige broederklooster bleef, eveneens tot in 1977, de apotheek van het hospitaal gehuisvest, naast de 'voogdenkamer', waar de bijeenkomsten van het hospitaalbestuur eeuwenlang werden gehouden.
De succesvolle tentoonstelling "800 jaar Sint-Jan" in 1977 markeerde tegelijk de verhuis van het medische zorgen van het Sint-Janshospitaal van de eeuwenoude site naar een gloednieuw ziekenhuis AZ Sint-Jan in de rand van Brugge (1978). De permanente inrichting van de middeleeuwse ziekenzalen van Sint-Janshospitaalmuseum, ook wel Memlingmuseum genoemd omdat de zes werken van de meester er samen te zien waren, werd uitgebreid met andere schilderijen en heiligenbeelden, maar ook medische materialen, gebruiksvoorwerpen en meubilair. In de noordbeuk was ook een enscenering met de beddenbakken en uitvergrote figuren uit het schilderij van Jan Beerblock te zien.
In 1984 werden de schilderijen van Memling opnieuw verhuisd, ditmaal naar de kapel nadat de kerkelijke diensten er waren stopgezet. Ook het voormalige broederklooster met apotheek en kruidentuin werd in het museumcircuit opgenomen.
Tot 1990 was de volledige collectie van het Sint-Janshospitaal en de hospitaalgebouwen zelf eigendom van het OCMW als erfgenaam van de Commissie der Burgerlijke Godshuizen. In 1990 werden de gebouwen overgenomen door de Stad Brugge, die ook de uitbating van het museum opnam in de werking van de Stedelijke Musea, nu Musea Brugge. De collectie historische schilderijen, gebruiksvoorwerpen en archieven bleef tot 2018 eigendom van het OCMW, maar is sindsdien door de integratie met de stedelijke overheid samengevoegd met het stadsarchief en de museale werking.
Er zijn natuurlijk nog veel meer musea in Brugge. Zo is er het Museum Salvador Dali, de Choco Story, Kantcentrum, Historieum, Volkskundemuseum, Diamantmuseum, Frietmuseum en het Guide Gezellemuseum. Kijk op voor meer info op: Brugge voor beginners.
Maak jouw eigen website met JouwWeb