Ronda
De rivier Guadalevín splitst het stadje in tweeën en heeft een diepe kloof uitgesneden, bekend als Tajo de Ronda. Ten oosten van Ronda ligt het park Sierra de las Nieves ("Sneeuwgebergte") en in het westen ligt de Sierra de Grazalema.
De oorsprong van de stad Ronda is Keltisch, hoewel er oudere prehistorische resten in de omgeving zijn gevonden, met name in de Cueva de la Pileta. Na de Kelten bevolkten de Feniciërs en de Grieken het gebied rond Ronda. Later noemden de Romeinen de plaats Arunda, omdat het stadje uitkeek over de omgeving en zo rondom een strategisch uitzicht had. In die tijd begon ook de handel in Ronda op te bloeien. Tijdens de Moorse overheersing werd Ronda uitgeroepen tot hoofdstad van de provincie Andalusië de Takurunna en later werd het de hoofdstad van het zelfstandige Taifa van Ronda, geleid door de Berberse stam Banu Ifran. Het merendeel van de belangrijke historische bouwwerken stamt uit deze tijd. Het kwam later in handen van de Marokkaanse Almohaden-dynastie, die de Arabische baden van Ronda bouwde. In de periode voor de Reconquista maakte Ronda deel uit van de Nasriden-dynastie binnen het koninkrijk Granada. In 1485 werd Ronda tijdens de Oorlog van Granada door de christenen op de Moren terugveroverd en in 1572 werd de Koninklijke Ruiterschool Real Maestranza de Caballería de Ronda opgericht. Hier werden de paarden en ruiters getraind die ingezet werden in diverse oorlogen.
Er liggen drie bruggen over de rivier:
- Puente romano, Puente arabe of Puente San Miguel
- Puente viejo ("oude brug")
- De beroemde Puente nuevo ("nieuwe brug")
In 1616 werd de Puente viejo, een brug met een enkele boog over de Tajo de Ronda gebouwd, die de eerder ingestorte Puente romano verving. De bouw van de Puente nuevo werd begonnen in 1751 en duurde 42 jaar. De brug geldt als hét symbool en trekpleister van Ronda.
Falangisme is een politieke beweging die zijn origine heeft in het Spanje tijdens het interbellum. De beweging is geheel geënt op de ideeën van José Antonio Primo de Rivera, zoon van de voormalige Spaanse dictator Miguel Primo de Rivera, en heeft uitgesproken fascistoïde kenmerken. De naam komt van het Griekse woord falanx, de Oud-Griekse slagorde.
In Spanje werd deze beweging vertegenwoordigd door de Falange Española, gesticht in 1933.
Falangisten streefden naar een corporatistische staat en naar nationale eenheid. Dit liet geen ruimte voor de diversiteit van de verschillende Spaanse volkeren als de Basken en de Catalanen. De nationale eenheid werd gebouwd rond een Spaans staatsnationalisme. Zodoende wezen falangisten racisme af, als natieverdelende factor. De Rooms-Katholieke Kerk was de officiële staatskerk, men had oog voor de Castiliaanse grootgrondbezitters. Ter bevordering van de nationale trots werden het imperialistische verleden van Spanje, en Spaanse helden als El Cid, Ferdinand II van Aragón, Christoffel Columbus verheerlijkt. Ook werd gestreefd naar een sociale hervorming, volgens solidaristisch principe. Hieraan werden anticommunistische geluiden gekoppeld.
De partij kwam voort uit twee kleinere fascistische groepjes, die geleid werden door José Antonio Primo de Rivera en Luís Ruiz de Alda, en werd opgericht op 29 oktober 1933. Tijdens het oprichtingscongres werd José Antonio tot Algemeen Leider (Jefe Nacional) van de Falange Española (FE) gekozen. Omdat de FE in financiële nood verkeerde fuseerde zij in 1934 met de in 1931 opgerichte Juntas de ofensiva Nacional Sindicalista van Ramiro Ledesma Ramos tot de Falange Española de las Juntas Ofensiva de Nacional Sindicalista (FE de las JONS). Ideologisch gezien was de Falange niet geheel fascistisch, maar ook populistisch-socialistisch (mede door de invloed van de sociaal voelende leiding der partij) en traditionalistisch (men greep vaak terug op het glorieuze Spaanse verleden). Vanaf de oprichting van de FE, en zeker na de fusie met de JONS, werden vriendschappelijke betrekkingen aangeknoopt met de fascistische PNF van Benito Mussolini en in mindere mate met de Duitse NSDAP van Adolf Hitler. Overigens was de FE de las JONS sterk gericht op het Italiaanse fascisme.
De FE de las JONS had ook enkele antisemitische trekjes, maar ging nooit zo ver als de Duitse nationaalsocialisten en later het Italiaanse fascisme. Wel was de Falange het bolwerk van personen die geloofden in joodse complotten en complotten van vrijmetselaars.
Bij de verkiezingen van februari 1936 behaalde de FE de las JONS maar twee zetels. Ledesma Ramos die al langer overhoop lag met José Antonio, stapte na de verkiezingsnederlaag uit de beweging en richtte de JONS opnieuw op. (Desondanks bleef de naam FE de las JONS behouden.) Wegens het toenemende straatgeweld en aanslagen, waar de Falange niet zelden bij betrokken was, werd de partij in maart 1936 door de regering verboden. José Antonio werd na het begin van de Spaanse Burgeroorlog geëxecuteerd in de gevangenis van Alicante. De falangisten sloten zich tijdens de Burgeroorlog bij de nationalisten van Franco aan, hoewel de falangisten door de conservatieve generaals (met name van de carlistische zijde) werd aangeduid als 'onze rode bondgenoten' (verwijzend naar het sociaalradicalisme dat de partij in haar beginjaren kenmerkte). Een exponent van de radicale vleugel binnen de FE de las JONS, Manuel Hedilla, werd in 1937 door de falangisten tot Jefe Nacional gekozen. Een paar dagen na zijn verkiezing, op 28 april 1937 werd hij echter door Franco aan de kant geschoven, omdat Hedilla zich tegen een fusie van de FE de las JONS met de carlistische Comunión Tradicionalista en alfonsistisch monarchistische Renovación Española verzette.
De afzetting van Hedilla maakte de weg vrij voor Franco om de fusie door te drijven en vervolgens het leiderschap op zich te nemen van de nieuwe beweging, de Falange Española Tradicionalista y de las Juntas de Ofensivas de Nacional Sindicalistas. Het dagelijks bestuur kwam in handen van een secretaris-generaal; vanaf 1939 was dit de minister-secretaris-generaal.
Nadat Franco de burgeroorlog in 1939 had gewonnen, zette hij zijn tijdens de burgeroorlog al begonnen pro-asmogendheden-koers voort. De meeste falangistische leden binnen de nieuwe FET y de las JONS waren overtuigde bondgenoten van het Italiaanse fascisme en stonden ook open voor veel ideeën uit het Duitse nationaalsocialisme. Na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in september 1939, en zeker na de Blitzkrieg in West-Europa, groeide de sympathie binnen de Falange voor de asmogendheden. Vooraanstaande falangisten als Serrano Suñer (zwager van Franco) en generaal Augustin Muñoz Grandes streefden naar Spaanse deelname in de oorlog aan de zijde van de asmogendheden tegen de Sovjet-Unie.
De voorzichtige Franco wenste echter af te wachten en te zien of de successen van met name nazi-Duitsland niet van korte duur waren, hetgeen medio 1943 het geval bleek te zijn. Bovendien werd Franco in 1942 overtuigd van de kwade invloeden in de nazi-top, hij hoorde over massa-executies van joden, en besloot de Spaanse grenzen met bezet Frankrijk voor joodse vluchtelingen open te stellen; Franco gebood bovendien zijn diplomaten zo veel mogelijk joden te beschermen in Hongarije, Italië, België en Roemenië. Franco hield Spanje uiteindelijk dan ook uit de oorlog en in de loop van 1943 verving hij de pro-Duitse en pro-Italiaanse politici door gematigde en zelfs pro-Britse politici. Wel streed een voornamelijk uit falangisten bestaande División Azul (Blauwe Divisie) mee aan het oostfront tegen het Rode Leger. Na begin 1943 fungeerde deze divisie echter zonder toestemming van Franco en de Falange.
Al tijdens de eindfase van de Tweede Wereldoorlog distantieerde Franco zich van de asmogendheden en later zou hij zelfs ontkennen dat hij sympathie had gehad voor nazi-Duitsland en fascistisch Italië. In juni 1945 werden de laatste pro-Duitse falangisten uit zijn regering verwijderd.
In de jaren vijftig, toen Spanje steeds meer op de westerse wereld begon te leunen, raakte het falangisme in onbruik evenals de partijnaam. Hoewel de partijnaam officieel in 1967 werd gewijzigd in Movimiento Nacional (Nationale Beweging), bleef men tot de dood van Franco van Falange spreken. Pogingen van twee oud-secretarissen-generaal van de beweging om het fascisme van de Falange nieuw leven in te blazen, liepen op niets uit.
In de jaren zestig en begin jaren zeventig deed Franco nog amper een beroep op de falangistische vleugel van de FET y de las JONS en richtte zich voornamelijk op conservatieve katholieke politici en andere westers-georiënteerde denkers, onder wie naar verluidt leden van Opus Dei, de katholieke lekenbeweging die een aantal handige technocraten voortbracht.
Na het overlijden van Franco in november 1975 werd Spanje door toedoen van koning Juan Carlos en Franco's opvolgers die uit de Opus Dei-gelederen kwamen, omgevormd tot een moderne democratie.
Ernest Hemingway en Orson Welles woonden jarenlang 's zomers in Ronda en beschreven de schoonheid van het gebied. Welles liet er zelfs zijn as verstrooien over het landgoed van de stierenvechter Antonio Ordóñez.
Tegenstanders van het falangistische regime werden van de kliffen van El Tajo afgegooid.
José Martín de Aldehuela was de architect van deze brug en Juan Antonio Díaz Machuca was de belangrijkste bouwer. Het verhaal gaat dat De Aldehuela stierf doordat hij van zijn eigen brug viel, door zelfmoord of doordat hij graaide naar zijn afgewaaide hoed. In werkelijkheid stierf hij in Málaga in 1802 een natuurlijke doo
Boven in de brug zijn ruimten die tijdens de Spaanse Burgeroorlog werden gebruikt als gevangenis en martelkamer, waarbij mensen gedood werden door ze uit het raam te gooien.
Een van de kerken van Ronda is de Santa María la Mayor. In deze kerk staat het beroemde Mariabeeld Nuestra Señora de la Paz (Onze-Lieve-Vrouwe-van-de-Vrede). Andere kerken zijn de Sint-Cecilia en de kerk van Padre Jesús.
Vanaf de achttiende eeuw begon het stierenvechten steeds belangrijker te worden in de omgeving en in 1784 werd in Ronda een Plaza de Toros gebouwd, de oudste nog bestaande stierenvechtenarena van Spanje. De beroemde torero Pedro Romero werd in Ronda geboren en won aldaar veel gevechten. Thans worden er nog maar vier stierengevechten per jaar gehouden in het Plaza de Toros (alle in september), voor de rest van het jaar is het een museum.
Ondanks dat het van tijd tot tijd echt zonnig was, en droog, stond er een heel koude wind. De winkelstraat ligt hoog en fungeert als een trechter. Het drukke programme, de regen van de dag ervoor en de koude wind zorgde ervoor dat Henk, eenmaal in het hotel ziek werd. Zo ziek zelfs dat we om elf uur ´s nachts met spoed naar het ziekenhuis moesten.
Hij had toch een beginnende longontsteking. Dus hebben ze hem bijna de hele nacht gehouden en hebben ze hem in een marinade van medicijnen gelegd. Maar hij knapte wel zichtbaar op en gelukkig konden we de reis voortzetten. Al had ik die nacht amper geslapen.
Maak jouw eigen website met JouwWeb