De Joden van Sevilla
Tot de inwoners van Sevilla behoorden ook Spaanse Joden (Sefardim). Zij woonden daar al sinds Romeinse tijden en mogelijk zelfs eerder. Net als in de rest van Moors Spanje konden zij na de Moorse verovering van Sevilla in 712 in relatieve vrijheid leven, alhoewel hieraan een einde kwam ten tijde van de heerschappij van de Almohaden. De Joodse bevolking van Sevilla verwelkomde de Reconquista van Sevilla in 1248. Na de Reconquista konden de Joden van Sevilla in het begin in relatieve vrijheid leven. Maar naarmate de tijd vorderde, raakten zij steeds meer in de verdrukking. In 1391 sloeg het noodlot toe: nagenoeg de hele Joodse bevolking van Sevilla werd het slachtoffer van een pogrom. In 1492 werden de overgebleven Joden van Sevilla gedwongen Spanje te verlaten indien zij zich niet tot het christendom bekeerden. Zij die zich bekeerden, werden conversos of nieuwe christenen genoemd. Zij die ervan verdacht werden in het geheim hun Joodse geloof te blijven belijden, werden door de Inquisitie vervolgd. In 1502 werden de overgebleven Moren van Sevilla eveneens tot bekering gedwongen. Zij die zich bekeerden, werden morisken genoemd.
De wijk “Santa Cruz” staat bekend als de oude Joodse wijk van Sevilla.
De Spaanse kolonisatie van Amerika
De ontdekking van de Nieuwe Wereld door Christoffel Columbus in 1492 en het begin van de Spaanse kolonisatie was een zeer belangrijke gebeurtenis voor Sevilla. Vanaf dat moment werd het namelijk de belangrijkste haven tussen Europa en Amerika en de thuisbasis van de beroemde zilvervloot. Sevilla was al een van de belangrijkste havens van Spanje voor de handel met Vlaanderen en Italië. Een aantal jaar later werd de Real y Supremo Consejo de Indias in Sevilla gesticht door de Katholieke Koningen. Vanuit dit centrum werden alle ontdekkingsreizen, het transport van eventuele schatten en handelsrelaties met de Nieuwe Wereld georganiseerd. Door deze belangrijke rol groeide de stad, en telde rond het jaar 1500 al meer dan 100.000 inwoners. Het werd een van de meest ontwikkelde steden van Spanje, met mooie stenen straten en huizen. De stad trok handelaren, ontdekkingsreizigers en consuls aan vanuit heel Europa, de stad was nu immers de beste plek om te profiteren van de rijkdommen uit Amerika. Het archief van de Consejo wordt bewaard in het Archivo General de Indias. Door deze multiculturele invloeden groeide de stad ook op creatief gebied, met name de schilder- en beeldhouwkunst en literatuur droegen bij aan de Spaanse Gouden Eeuw. Ook industrieel groeide Sevilla, door de productie van nieuwe producten als zijde, zeep en keramiek, en de komst van meer dan 50 fabrieken.
De eerste tabak die gebruikt werd in Europa kwam vooral door import uit Zuid-Amerika. De Spanjaarden wilden die handel controleren, ze maakten het landen als Engeland en Nederland moeilijk om tabak te verhandelen. Ze hadden Sevilla uitgeroepen tot tabakshoofdstad van Europa en alle tabak moest via deze stad verdeeld worden over het Europese continent.
Het Verdrag van Zaragoza was een verdrag dat de verdeling van de wereld tussen Spanje en Portugal regelde.
Hoewel men al wist dat de Aarde rond is, voorzag het Verdrag van Tordesillas van 1494 in een westelijke grens, maar niet duidelijk in een oostelijke. Deze werd actueel nadat Ferdinand Magellaan in 1521 in westelijke richting varend Azië had weten te bereiken, dus de Grote Oceaan had weten over te steken. Een van de standpunten was dat Spanje recht had op alles wat verder naar het westen varend bereikt werd, en Portugal, naast dat wat was overeengekomen in het westen, op alles wat naar het oosten varend bereikt werd. Een ander standpunt was dat de grens de over de polen doorgetrokken bestaande grens zou moeten zijn, de antimeridiaan.
De oostelijke grens werd overeengekomen door de ondertekening op 22 april 1529 van het Verdrag van Zaragoza, die een meridiaan aan de oostzijde van de Molukken als grens specificeerde. Hiermee kreeg Portugal ongeveer 191 lengtegraden van de Aarde (inclusief de vooral begeerde Molukse eilanden, de Specerijeneilanden, waar nootmuskaat en kruidnagels geoogst werden) en Spanje de overige 169. Ter compensatie kreeg Spanje een monetaire vergoeding.
Overigens werd het verdrag van Zaragoza later geschonden door de Spaanse kolonisatie van de Filipijnen.
De 17e eeuw
Door de grote wereldwijde macht van Spanje kwam in het jaar 1615 Hasekura Tsunenaga naar Sevilla, een Japanse ambassadeur. Zijn doel was handelsrelaties tussen Japan en Spanje aan te gaan. Aan het begin van de 17e eeuw begon de macht van Sevilla echter af te nemen, onder andere omdat het “Archivo General de Indias” werd overgenomen door de haven van Cádiz. Ook ondervond de stad last van de financiële crisis die zich over heel Europa verspreidde en werd geteisterd door verschillende overstromingen en de pestepidemie, waardoor naar schatting 60.000 mensen overleden, bijna de helft van de stadsbevolking. Op religieus gebied ontwikkelde Sevilla zich echter als nooit te voren, en in 1671 waren er meer dan 45 kloosters, bewoond door onder anderen franciscanen, dominicanen, augustijnen en jezuïeten. Vanaf dat moment stond Sevilla wereldwijd bekend als “Tierra de María Santísima”, oftewel “Grond van de Heilige Maria”.
De 18e en 19e eeuw
De Franse invasie van het Iberisch Schiereiland strekte zich ook uit tot Sevilla, en de stad werd in 1810 bezet door Jozef Bonaparte, broer van Napoleon Bonaparte. Deze verovering verliep echter zonder gevechten en verlies van mensenlevens, maar baseerde zich op onderhandelingen. In 1812 kwam echter al een einde aan de Franse bezetting, door de tegenaanvallen van zowel Spanje als Engeland. De Franse koning verliet de stad; maarschalk Soult beroofde Sevilla echter van een groot aantal kunstschatten. In de 19e eeuw werd begonnen aan het aanleggen van een spoorlijn in Sevilla, hiervoor was de vernietiging van het grote aantal stadsmuren nodig, en in deze periode begon dan ook de geografische stadsuitbreiding.
De 20e en 21e eeuw
In 1929 organiseerde de stad de Ibero-Amerikaanse Tentoonstelling, waarvoor het beroemde “Plaza de España” werd aangelegd. Sevilla werd ook slachtoffer van de Spaanse Burgeroorlog en de bezetting van dictator Francisco Franco, zij het in mindere mate dan Madrid en Barcelona.
Wat recenter, in 1992, organiseerde Sevilla een prestigieuze Wereldtentoonstelling. Een deel van de installaties die hiervoor werden gebouwd zijn veranderd in het grootste technologische wetenschapspark van Andalusië, het pretpark Isla Mágica en de beroemde brug Puente del Alamillo, ontworpen door Santiago Calatrava. Al sinds een groot aantal jaren wordt gewerkt aan de aanleg van een metronet in Sevilla.
De Kathedraal van Sevilla (Catedral de Santa María de la Sede) is een grote gotische kathedraal in de Spaanse stad Sevilla en de hoofdkerk van het aartsbisdom Sevilla. De kathedraal is gebouwd in de vorm van een vijfbeukige kruiskerk met kapellen en is van binnen 127 meter lang, 83 meter breed en 43 meter hoog. Daarmee is het na de Sint-Pietersbasiliek in Rome en de St Paul's Cathedral in Londen het grootste kerkgebouw van Europa en tevens het grootste gotische kerkgebouw ter wereld. De Giralda, de 104,5 meter hoge klokkentoren van de kathedraal, is het waarmerk van de stad Sevilla. De kathedraal van Sevilla heeft een uitzonderlijk rijke inventaris.
De kathedraal is gebouwd op de plaats waar voorheen de Moorse hoofdmoskee van de stad stond. Deze werd in de twaalfde eeuw door de Almohaden gebouwd en deed na de christelijke verovering van Sevilla in 1248 aanvankelijk dienst als kathedraal. In 1401 werd besloten tot de bouw van een gigantische nieuwe kathedraal in gotische stijl. De bouw begon een jaar later aan de westzijde; vanaf 1432 kwam het oostelijke deel tot stand. De bouw werd afgesloten in 1506. Van de oorspronkelijke moskee bleven enkele onderdelen grotendeels gespaard, met name de voorhof (Patio de los naranjos ofwel Sinaasappelhof) met de fraai bewerkte Puerta del Perdón, en de minaret (de tegenwoordige Giralda). Gotische portalen zijn de twee zijportalen in de westgevel en de Puerta de las Campanillas en de Puerta de los Palos aan de oostzijde.
De vieringtoren van de nieuwe kathedraal stortte in 1511 in, waarna deze in zeer bescheiden vorm herbouwd werd. In de loop van de zestiende eeuw werd het bouwwerk uitgebreid met een aantal aanbouwsels in zuivere renaissancestijl. Van 1541 tot 1575 ontstond zo de schitterende Koninklijke Kapel ter plaatse van de apsis, waar de dertiende-eeuwse koningen Ferdinand de Heilige en Alfons de Wijze werden bijgezet. Ten zuiden van de kerk kwamen in die tijd enkele architectonische juweeltjes tot stand, zoals de sacristie (1528-1547) en de kapittelzaal (1558-1592).
In de zeventiende eeuw werd de westelijke arm van de sinaasappelhof vervangen door de Iglesia del Sagrario, een bescheiden kerk in barokstijl. In de negentiende eeuw werden enkele grote, met rijk beeldhouwwerk versierde portalen toegevoegd in neogotische stijl: het hoofdportaal in de westgevel en de portalen van de dwarsarmen. Ook ander beeldhouwwerk werd toegevoegd.
De Giralda werd tussen 1184-1195 gebouwd in opdracht van de Almohaden. Destijds was het de hoogste minaret ter wereld. In plaats van trappen is er een hellende gang die naar de top voert en die per paard bereden kon worden. De toren verloor zijn oorspronkelijke bekroning bij een aardbeving in 1356. De huidige bekroning in renaissancestijl dateert uit 1558-1568 en werd ontworpen door Hernán Ruiz de Jonge. Boven op de toren staat een vier meter hoog bronzen beeld dat het Geloof voorstelt, bijgenaamd de Giraldillo. Het draait mee met de wind en heeft de toren zijn bijnaam gegeven (Giralda = windvaan).
Het interieur van de vijfbeukige kathedraal behoort tot de indrukwekkendste gotische kerkruimten van Spanje, het is bijzonder mooi van lijn en proportie en bezit een grote hoeveelheid kunstwerken.
Van de vijfenzeventig glasschilderingen uit de vijftiende tot twintigste eeuw zijn de oudste in 1478-1483 vervaardigd door Enrique Alemán.
Het koor bevindt zich vrijwel midden in de kerk in de vierde en vijfde travee van het middenschip. Het wordt afgesloten met een mooi hekwerk uit 1519 en bevat een schitterend gotisch koorgestoelte uit 1475-1479. De twee grote orgels aan weerszijden dateren uit de achttiende eeuw.
Iets naar het oosten, in de achtste travee, bevindt zich de Capilla Mayor, eveneens met een groot hekwerk uit 1524-1528. De kapel bevat het imposante hoofdaltaar, een meesterwerk van gotisch houtsnijwerk in Spanje. Het retabel werd in 1481 begonnen door de Vlaamse houtsnijder Peter Dancart en na zijn dood voltooid in 1526; later in de zestiende eeuw werd het nog uitgebreid. In het midden bevindt zich het dertiende-eeuwse beeld van de Virgin de la Sede, omgeven door vierenveertig uit hout gesneden voorstellingen uit het leven van Christus en Maria.
De kathedraal bezit vele altaarstukken van kunstenaars uit de Sevillaanse school; bijzonder interessant zijn de twee schilderijen van de Spaanse kunstschilder Bartolomé Murillo in de doopkapel aan de noordzijde van het schip: Het visioen van de Heilige Antonius uit 1656 en de Doop van Christus uit 1668. Andere werken zijn onder andere van Alonso Cano, Juan de Valdés Leal en Francisco da Herrera de Jonge.
Talrijk zijn de grafmonumenten uit de vijftiende tot de twintigste eeuw, veelal van aartsbisschoppen van Sevilla. De graftombe van aartsbisschop Gonzalo de Mena is een gotisch werkstuk uit albast, die van kardinaal Juan de Cervantes, eveneens uit de vijftiende eeuw, vertoont Vlaamse invloed.
In de zuidelijke dwarsbeuk, bij de Puerta de San Cristóbal, bevindt zich het praalgraf van Christoffel Columbus door Arturo Mélida, dat in 1892 in de kathedraal van Havana gebouwd werd, en na de onafhankelijkheidsverklaring van Cuba in 1898 hiernaartoe werd overgebracht. Het is niet zeker of het monument werkelijk het stoffelijk overschot van Columbus bevat. Meteen in het begin van het middenschip is de grafsteen geplaatst van Hernández Colón, de zoon van Columbus (1539).
In de Andreaskapel aan de zuidzijde bevindt zich een beroemd crucifix van Juan Martínez Montañés. In de Sacristia de los Calices hangen talrijke schilderijen, onder andere De Heilige Justa en Rufina van Goya en werken van Francisco Zurbarán en Jacob Jordaens.
De Sacristia Mayor, toegankelijk via een Antesala, is een prachtig bouwwerk met een fraaie koepel. Het bevat een Kruisafneming van Pieter de Kempeneer (Pedro Campaña) en een aantal stukken uit de rijke kerkschat, waaronder een reusachtige zilveren monstrans uit de zestiende eeuw en de sleutels van Sevilla, die bij de verovering van de stad door de christenen in 1248 zouden zijn overhandigd aan koning Ferdinand de Heilige.
De Torre del Oro (vertaling: Toren van het Goud) is een toren in Sevilla aan de Paseo Cristóbal Colón en de Guadalquivir. Hij dateert uit de 13e eeuw. Toen de Almohaden Sevilla als hoofdstad kozen, richtten zij twee bouwwerken op: de Torre del Oro en de Giralda. Het eerste maakte vroeger deel uit van de Moorse stadswallen tussen de Reales Alcázares en de rest van de stad. In 1760 werd hij verbouwd en kreeg hij er een klein rond torentje bij.
De naam Gouden Toren dateert uit de bloeitijd van Andalusië, toen de schepen uit de Amerikaanse koloniën binnenstroomden in Sevilla en hier werden gelost. Hij diende ook als gevangenis, kapel, opslagplaats en thans als maritiem museum (Museo Naval de Sevilla).
Het halvemaanvormige Plaza de España is een van de bekendste pleinen van Sevilla. Ter ere van de Ibero-Amerikaanse tentoonstelling van 1929 werden er diverse gebouwen opgetrokken in het Maria-Luisapark, waaronder dit ontwerp van Aníbal González Álvarez.
Het plein heeft de vorm van een enorme halve cirkel die volledig wordt omringd door gebouwen. Deze gebouwen vormden tijdens de wereldtentoonstelling van 1929 het paviljoen van Spanje. Het merendeel van deze gebouwen wordt vandaag de dag gebruikt door de overheid. Geheel onderaan deze gebouwen bevinden zich 52 tegelmozaïeken, fresco's waarop alle Spaanse provincies zijn afgebeeld in azulejo's (typische Andalusische tegeltjes). Midden op het plein staat een fontein en het middenplein wordt bijna volledig omringd door een kanaal waarover vier bruggen zijn aangelegd die de 4 oude koninkrijken van Spanje (León, Castilla, Aragón en Navarra) vertegenwoordigen.
Het plein is 170 meter diameter groot en heeft een half elliptische vorm. Dit symboliseert de greep die Spanje had op zijn voormalige Amerikaanse gebieden. Het uitzicht op de rivier Guadalquivir symboliseert de weg voorwaarts naar Amerika.
Maak jouw eigen website met JouwWeb