Dag 6, donderdag 4 mei 2023
Batterij Todt is een kustbatterij gebouwd door de Duitse Wehrmacht tijdens de Tweede Wereldoorlog. Het complex werd gebouwd door Organisation Todt, nabij het Franse dorp Audinghen, aan Het Kanaal bij Cap Gris-Nez. Het maakte onderdeel uit van de Atlantikwall en de bewapening bestond uit vier kanonnen met een kaliber van 38 centimeter. Het maximum bereik lag op 55 kilometer en de granaten konden Engeland bereiken.
Kort na de val van Frankrijk werd snel duidelijk dat Engeland geen vrede wilde sluiten met Duitsland. De batterij werd in eerste instantie gebouwd ter ondersteuning van de landingstroepen die Engeland zouden gaan bestormen. Operatie Seelöwe werd echter geannuleerd en Duitsland moest rekening houden met een geallieerde landing.
In augustus 1940 begon Organisation Todt met de bouw van het complex. De muren en het dak waren van 3,5 meter dik gewapend beton. De kanonnen waren in eerste instantie bestemd voor oorlogsschepen, maar werden aangepast voor het gebruik in bunkers. Het kaliber was 380mm en ze schoten granaten van enkele honderden kilo’s minimaal 42 en maximaal 55 kilometer ver weg. Elk kanon had een bemanning van 19 soldaten en vier officieren.
Op 20 januari 1942 werd het eerste schot gelost. De batterij kreeg aanvankelijk de naam Batterij Siegfried. Een paar dagen voor de officiële opening kwam Fritz Todt, de oprichter van Organisation Todt in een vliegtuigongeval om het leven. Als eerbetoon wordt de naam veranderd in Batterie Todt.
Op 12 februari 1942 kwam de batterij in actie om de slagschepen Gneisenau en Scharnhorst en de zware kruiser Prinz Eugen veilig Het Kanaal te laten passeren.
Naast Batterij Todt waren er nog twee andere batterijen op de kaap. Batterij Grosser Kurfurst bestond uit vier 280mm-kanonnen en Batterij Griz Nez, bij de meest westelijk punt van de kaap, had drie 170mm-stukken. De stukken van Batterij Todt konden alleen richting zee vuren, maar die van de twee andere batterijen konden ook naar doelen landinwaarts worden gericht. De batterijen werden verdedigd met mijnenvelden, prikkeldraadversperringen, bunkers, antitankgeschut en machinegeweren.
Eind september 1944 werden de batterijen aangevallen door troepen van de Canadese 3e infanteriedivisie. Naast de normale versterkingen hadden veel terugtrekkende Duitse troepen zich ook in het gebied ingegraven. Op 26 september 1944 vielen 532 vliegtuigen van de RAF de kaap en Calais aan. Een tweede luchtaanval volgde op 28 september met 302 toestellen waarbij 855 ton bommen vielen.
Vroeg in de ochtend van 29 september vielen de Canadezen aan ondersteund door tanks van de Britse 79e pantserdivisie. De tanks ondervonden veel hinder van de bomkraters, maar de vlegeltanks baanden een weg door de mijnenvelden. De verdedigers van Batterij Todt gaven zich snel over en tegen het midden van de ochtend was de batterij uitgeschakeld. Tijdens deze actie werden zo’n 1600 Duitse krijgsgevangenen gemaakt. Aan Canadese zijde vielen 42 slachtoffers waarvan acht doden. De vlag van de batterij werd naar de burgemeester van Dover gestuurd want met de verovering kwam een einde aan een drie jaar durende beschieting van de stad vanaf de Franse kust.
Nogmaals Ieper
In de Eerste Wereldoorlog zijn er 4 slagen geweest bij het Belgische Ieper.
De Slag om Langemark luidt op 21 oktober 1914 het begin van de Eerste Slag om Ieper in. Het 26e Duitse reservekorps staat opgesteld tussen Poelkapelle en Zonnebeke tegenover de Britse en Franse troepen in Langemark en Boezinge. Het Duitse korps bestaat voornamelijk uit vrijwillige studenten, zonder enige militaire opleiding. Het Britse korps bestaat uit doorgewinterde beroepssoldaten. Om 6:00 uur vallen de Duitse soldaten aan, maar worden letterlijk afgemaakt door de Britten. Volgens de legende gebeurt dit onder het zingen van "Deutschland, Deutschland über alles". Ten tijde van het nationaalsocialisme onder Adolf Hitler wordt dit in de propaganda gebruikt om de moed van de Duitse soldaten aan te tonen: Duitse soldaten die zingend ten strijde trekken. De waarheid was echter dat Duitse soldaten op hun makkers begonnen te schieten in de veronderstelling dat het Britten waren. Ze zongen dit lied om aan te tonen dat ook zij Duitsers waren in de hoop dat ze zouden ophouden met schieten. De Duitsers houden de gevechten vier dagen vol, winnen geen meter grond, en verliezen bijna al hun manschappen.
Het Duitse 13e Beierse reserve-infanterieregiment, waarbij Adolf Hitler dient, doet op 29 oktober 1914 een tweede poging door te breken nabij Geluveld. Na drie dagen moeten ze de gevechten staken. Op 31 oktober 1914 veroveren ze Geluveld wel maar verliezen daarbij meer dan de helft van hun manschappen. De volgende dag nemen ze Mesen en Wijtschate in. De Britten trekken zich terug ter hoogte van Zillebeke.
Op 11 november 1914 vallen de Duitsers opnieuw Ieper aan via Menen. Ze zijn met hun 18.000 manschappen duidelijk in de meerderheid, maar kunnen de 8000 Britten die hun de toegang ontzeggen niet verslaan.
De volgende dag valt de eerste sneeuw over het front wat voor een adempauze zorgt. De manschappen graven zich in en bereiden zich voor op de komende winter.
Het Duitse oppercommando besluit op 22 november 1914 het offensief te staken. Ze schieten de stad kapot, maar kunnen haar niet uit handen van de Britten krijgen.
De Eerste Slag om Ieper is gestreden.
Hill 60, een bebost heuveltje nabij Ieper, wordt op 10 december 1914 toch nog door de Duitsers ingenomen. Door deze uitkijkpost kunnen ze de Britse en Franse troepenbewegingen in de gaten houden. Tijdens de volgende jaren zal dit een belangrijk voordeel blijken te zijn.
De Britse deelnemers kwamen in aanmerking voor de 1914 Ster met gesp.
De Tweede Slag om Ieper is een veldslag die in het voorjaar van 1915 in de Eerste Wereldoorlog werd uitgevochten.
Op 17 april werden zware mijnladingen onder de Duitse stellingen op Hill 60 tot ontploffing gebracht. Sinds de Duitse inname van de heuvel op 10 december 1914 groef de British Expeditionary Force, 24 à 30 m onder de heuvel, gangen die ze vulden met zware mijnladingen en dieptebommen. Na de ontploffing bestormden Britse en Franse troepen de Duitsers en namen de heuvel opnieuw in. Na deze ontploffingen kwamen er eigenaardige gassen vrij en ontdekten de Britten eigenaardige cilinders, maar ze konden deze niet thuisbrengen. Dit was echter de voorbode voor wat komen zou.
Op zeer korte afstand lagen de geallieerden in een verdedigingslinie rond Ieper:
- Belgische 6e divisie: westelijke kanaaloever van Steenstrate tot de kust
- Franse 87e Territoriale Divisie: van Steenstrate tot Langemark
- Frans-Algerijnse 45e divisie: noorden Langemark tot zuiden Poelkapelle
- Canadese 1e divisie: van Franse linie tot "Berlin Wood" ('s Graventafel)
- Britse 28e, 27e en 5e divisie: vanaf Berlin Wood
De Duitse troepenopstelling:
- 46e, 52e en 51e reservedivisie en 4e Marine Brigade: ten opzichte van Belgische 6e divisie
- 2e Reserve Ersatz Brigade, 38e Landwehr Brigade en 37e Landwehr Brigade: ten opzichte van Canadese 1e divisie
- 53e en 54e reservedivisie: ten opzichte van Britse 28e divisie
- 39e en 30e Infanteriedivisie: ten opzichte van Britse 27e divisie
- 3e Beierse Divisie: ten opzichte van Britse 5e divisie
Slag om Gravenstafel
In de buurt van Steenstrate (nabij Houthulst) werden op 22 april Frans-Algerijnse troepen bestookt met granaten. Even later zagen de Canadese soldaten pijpen boven de Duitse loopgraven uitsteken, maar ze negeerden dit vreemde schouwspel. Zelfs aan de waarschuwing van een overgelopen Duitse soldaat, enkele dagen voordien, van een mogelijke aanval met gas, werd nauwelijks aandacht gegeven.
Pas om 17.00 u in de namiddag zagen ze een geelgroene nevel op zich afkomen. De Duitsers hebben 5730 gasflessen met chloorgas opengedraaid. De Franse troepen, territoriale zoeaven, werden meteen bevangen door het gas, zodat er een groot gat van 6 km ontstond in het front. De Canadezen probeerden het gat te dichten, maar ook zij kwamen in de gaswolken terecht en verloren meer dan 2000 manschappen. Ook de Belgische grenadiers speelden deze dag een belangrijke rol. Het regiment slaagde erin een hevige aanval af te slaan. Later werd 22 april de dag van de Belgische Grenadiers.
Slag bij Sint-Juliaan
Om 18.00 uur was Langemark veroverd en de Duitsers rukten op naar "Kitcheners' Wood", het bos ten zuidwesten van Sint-Juliaan, dat bezet werd door de Canadese 1e divisie. Deze improviseerden gasmaskers, met zakdoeken natgemaakt met water of urine, tegen het gifgas en voorkwamen zo op 24 april een grote Duitse doorbraak.
De Duitsers hadden echter het succes van hun acties onderschat en hadden weinig of geen ondersteuning voorzien voor een verdere doorbraak. De Duitse aanvallen werden dus, bij gebrek aan ondersteuning, tijdelijk gestaakt, maar begin mei moesten de Britten hun stellingen op Hill 60 terug vrijgeven na hevige gifgasaanvallen door de Duitsers. De Duitsers konden tot de oostelijke rand van Hill 62 doorbreken.
Op 6 mei werd generaal Sir Horace Smith-Dorrien, de bevelhebber van het Britse 2e leger, ontslagen en vervangen door generaal Herbert Plumer. Hij wilde een tactische terugtrekking invoeren om de druk op de Ieperboog te verminderen, maar dit was geheel tegen de wil van veldmaarschalk John French. Deze laatste beval meteen verdere tegenaanvallen.
De slag om de Frezenberg
De Duitsers veroverden op 8 mei de Frezenberg en hielden daar stand. Op 24 mei deden ze een uitval naar de heuvelrug van Bellewaerde, maar door de Britse tegenaanvallen was het succes daar niet zo groot als verwacht.
De slag bij Bellewaerde
Op 24 mei deden de Duitsers een gasaanval die de Britten één kilometer noordwaarts terugdrong.
Einde
Uiteindelijk viel het offensief op 25 mei stil. De verliezen waren groot: de Britten verloren 58.000 manschappen, de Fransen zo'n 10.000. Meer dan 100.000 Duitse soldaten sneuvelden of raakten gewond.
Uiteindelijk trokken de Britten zich toch terug, zoals Sir Horace Smith-Dorrien voordien voorgesteld had. Zo werd de Apex in de Ypres Salient, zoals de Ieperboog werd genoemd, afgezwakt.
Het bijwonen van de Last Post, die elke dag om klokslag acht uur wordt geblazen. Zeer, zeer indrukwekkend, zeker op een dag als vandaag, 4 mei, dodenherdenking in Nederland.
De Derde Slag om Ieper, ook bekend als de Slag bij Passendale (en internationaal bekend als Passchendaele), was een grote veldslag die in 1917 tijdens de Eerste Wereldoorlog door Britse, Belgische, ANZAC en Canadese troepen enerzijds en het Duitse leger anderzijds werd uitgevochten aan de Ieperboog.
Situatie
Op 31 juli 1917 begon de Britse veldmaarschalk sir Douglas Haig aan zijn Derde Slag om Ieper om de Duitsers de genadestoot toe te brengen.
Zijn plannen, die hij ondanks tegenwerking van de Britse premier David Lloyd George wist door te zetten, bestonden erin het Duitse 4e leger van generaal Sixt von Armin ten val te brengen, langs de kust op te rukken en noordwaarts richting Oostende en Zeebrugge te trekken om de havens, in die tijd door de Entente-machten abusievelijk aangezien voor de gevaarlijkste Duitse onderzeebootbases, te heroveren.
Daarvoor liet hij het Britse 5e leger van generaal Hubert Gough in de richting van Pilkem aanvallen over de hogere waterscheiding, in het noordwesten gesteund door het Franse 1e leger van generaal François Anthoine en in het zuiden door het Britse 2e leger van generaal Herbert Plumer. Voor het eerst werd een groot aantal tanks ingezet, om precies te zijn 216 Mark IV-tanks. De Duitsers waren op de hoogte van de plannen en trokken een grote hoeveelheid artillerie en reserves bij de frontsector samen. Ze legden zes hoofdweerstandslijnen aan met een totale diepte van tien kilometer. Omdat het voorjaarsoffensief van de Franse generaal Robert Nivelle was mislukt en daardoor het moreel was gebroken, waren de Fransen niet in staat de Britten daadwerkelijk te ondersteunen. Daardoor hadden de geallieerden niet het numerieke overwicht dat nodig was voor een doorbraak.
Britten
Op 31 juli begon het aanhoudend te regenen en de volgende dag had iedereen de hoop al opgegeven. De Britse artilleriebombardementen met 3019 kanonnen verstoorden de afwatering, maar de meeste Duitse kazematten bleven intact. De troepen kwamen nergens vooruit door de modder en op 2 augustus, na een opmars van maximaal twee kilometer, lag het offensief stil. Duitse tegenaanvallen dreven de Britten weer gedeeltelijk terug. Pas op 16 augustus werd de opmars hervat. Het Britse 5e leger viel meer naar het noorden Langemark aan, maar stuitte op een hardnekkige verdediging. Die maand beliepen de verliezen aan doden en gewonden ongeveer 75.000 geallieerden en 50.000 Duitsers. De Britse pers werd eerst wijsgemaakt dat een grote overwinning was behaald. Toen echter bleek hoeveel gewonden er naar de Britse hospitalen werd gebracht, viel de mislukking niet langer te verbergen en stortte aan het thuisfront het moreel in.
Een maand later, na een gevechtspauze tijdens een periode van warm weer die de grond opdroogde, verschoof het offensief op 22 september weer zuidwaarts en viel het Britse 2e leger van generaal Herbert Plumer aan op de heuvelrug ten oosten van Ieper. Hij koos voor een methodische aanval over een smal front, begeleid door gordijnvuur. De concentratie aan manschappen en artillerie was zo groot dat de voorste Duitse linie weggevaagd werd.
Tot 25 september streed hij zo bij de steenweg Ieper-Menen. Beide zijden verloren zo'n 20.000 man. De verliesverhouding verbeterde voor de Britten, maar de terreinwinst was slechts 1000 meter. Op 26 september verloor het geallieerde leger 17.000 manschappen bij de verovering van het Polygoonbos. Plumer eindigde het offensief op 4 oktober met de verovering van Broodseinde. Dit kostte 26.000 geallieerde soldaten het leven. De Duitse verliezen waren even groot.
Ondertussen raakte het Duitse opperbevel sterk verontrust. Omdat het artillerievuur alle Duitse eenheden uitdunde, die in de laatste weerstandlinies verdicht waren, had het Duitse leger in Vlaanderen in feite de helft van zijn gevechtskracht verloren. De divisies verloren hun samenhang toen zelfs bij de kleinste eenheden nog een derde van de manschappen werd uitgeschakeld. De Duitsers overwogen zich terug te trekken en besloten de laatste linies niet meer ten koste van alles te heroveren.
Australiërs
Van 4 tot 9 oktober was het de beurt aan de Australiërs om bij Tyne Cot aan te vallen. Ze werden echter door het noodweer gehinderd. Een week eerder dan normaal brak het rustige herfstweer en voortdurende slagregens maakten het terrein volledig onbegaanbaar. De omstandigheden waaronder nu gevochten werd, behoren tot de slechtste uit de wereldgeschiedenis. Generaals aan beide zijden beschreven het terrein als een hel op aarde. De offensieven werden echter niet afgelast. De helft van het terrein bestond nu uit modder waar men slechts kon lopen door er plankieren aan te leggen; de andere helft was water waarin duizenden halfvergane lijken ronddreven. Gewonden waren reddeloos verloren en zakten in het slijk weg.
Het was dan ook niet verwonderlijk dat de Australiërs geen noemenswaardige vooruitgang boekten, ondanks een verlies van 13.000 man. Ze veroverden echter toch nog de eerste Duitse frontlinie en de daaromheen liggende kazematten en bunkers.
Passendale
Veldmaarschalk Haig bleef vastbesloten om bij Ieper vóór de winter tot een doorbraak te komen. Op 12 oktober viel hij Passendale aan, maar zonder succes. Opnieuw verloor men zo'n 13.000 man. Omdat er geen vooruitgang werd geboekt, bleven duizenden gewonden stervend in het niemandsland achter. Op 14 oktober stonden de Duitsers toe dat lijken en gewonden opgehaald werden. Op 26 oktober probeerden de Canadese korpsen het opnieuw maar hun opmars was traag door de modder en het Duitse gifgas.
Op 6 november leek er aan de Derde Slag om Ieper een eind te komen doordat Passendale, op dat moment niet meer dan een rode vlek in de modder, viel. De volgende dag bezocht voor het eerst een stafofficier, luitenant-generaal Launcelot Kiggell, in een auto het front. Hij barstte in tranen uit en mompelde: Good God, did we really send men to fight in that? (Goede God, hebben wij mannen hiernaartoe gestuurd om hierin te vechten?) Het antwoord was: 'It's worse further up on...' (Verderop is het erger...).
Resultaat
De totale Britse verliezen aan het Westelijk Front tussen 31 juli en 1 december bedroegen 448.614 man aan doden, gewonden, zieken, deserteurs, vermisten en krijgsgevangenen, waaronder 244.897 aan de frontsector van het offensief, zieken en deserteurs niet meegerekend. In aanmerking nemend dat zelfs bij een puur verdedigende opstelling ook zo'n 50.000 man door artillerievuur uitgeschakeld zouden zijn, moet men de extra verliezen door het offensief op een kleine 200.000 man stellen, een derde daarvan gesneuveld. De totale Duitse verliezen in Vlaanderen gedurende dezelfde periode bedroegen 270.710 man. Bij de Fransen vielen ongeveer 8500 doden, de overige verliezen zijn niet bekend. De totale verliezen door dit offensief aan beide zijden bij elkaar optellend zijn er ruwweg 450.000 man gesneuveld. Dit is een groot aantal slachtoffers in verhouding tot de slechts acht kilometer die het front verschoven is, maar geen uitzondering in deze oorlog.
Sir Douglas Haig kreeg de schuld omdat hij niet de gewenste doorbraak kon forceren. Hij dacht dat de Duitse troepen op instorten stonden en wilde daarom niet opgeven. Hij bleef echter aan als Brits opperbevelhebber in Frankrijk.
Met deze slag werd het hoofddoel bereikt om een belangrijk deel van het Duitse leger door de Britse artillerie uit te schakelen. In aanmerking nemend dat zonder kanonvuur de normale verliesratio in deze omstandigheden ongeveer één op tien zou geweest zijn, is het succes van de Britse artillerie inderdaad opmerkelijk. Het was eigenlijk een geplande uitputtingsslag, waarbij de optimistische doelstellingen van Haig maar een voorwendsel waren om de onwillige politici over te halen. Desalniettemin geldt de slag tegenwoordig, meer nog dan de Slag om de Somme, als hét voorbeeld van een zinloze aanval.
De slag was afgelopen op 10 november. Behalve de uitputting van het Duitse leger had de slag vooral negatieve effecten aan de zijde van de Entente. De nu gevormde saillant bij Passendale was eigenlijk onverdedigbaar en de Canadezen die haar gedurende de winter desalniettemin behielden, leden daarbij aanzienlijke verliezen door Duits vuur. Doordat de meeste reserves verbruikt waren, kon Haig op 20 november het succes van de tanks in de Slag om Kamerijk niet uitbuiten. De politici waren van walging over de slachting vervuld en weigerden versterkingen naar het front in Vlaanderen te sturen. Daardoor werd het Britse leger erg kwetsbaar bij het Duitse voorjaarsoffensief. In april 1918 ging alle terreinwinst weer in korte tijd verloren in de Vierde Slag om Ieper.
Aan de Duitse kant nam de auteur Ernst Jünger (1895-1998) als soldaat aan de slag deel. Zijn ervaringen beschreef hij in zijn eerste roman In Stahlgewittern.
De Vierde Slag om Ieper, ook wel de Leieslag genoemd, is een veldslag die werd gevochten in de Eerste Wereldoorlog.
Op 1 maart 1918 bezette het 2e Beierse R.I.R., van generaal-majoor von Dittelberger, Diksmuide. Als oefening voor het Duits lenteoffensief dat gepland werd op Loos-Armentiers door de 1e Beierse Reservedivisie leek het de Duitsers nuttig Diksmuide aan te vallen.
Het probleem voor Duitsers was hoe ze de IJzer moesten oversteken die op dat punt zo'n 12 meter breed is. Ze verzamelden in het Handzame-Kanaal een kleine vloot pramen om het materiaal via het kanaal en dan over de rivier te brengen. Anderen bouwden loopbruggen van planken en vlotters, geholpen door patrouilleboten.
Omdat dit alles onder de ogen van de geallieerden moest gebeuren, zorgde de Duitse artillerie ervoor de vijand in de loopgraven te houden onder leiding van Res-Hauptmann Gombart en Res-Luitenant Eschenbach.
Enkele weken later, op 18 maart, begon de raid op Diksmuide. 's Morgens vroeg, rond 03:00 uur waren de Duitsers klaar voor de aanval. 45 minuten later openden ze het vuur en schoten ze tot 05:00 uur gasgranaten naar de overzijde. Om 03:50 uur werd er bij de geallieerden gasalarm geslagen en beschoten ze tot 07:00 uur de Duitse stellingen. Duitse kanonnen en mortieren vuurden vanaf 05:40 uur op de geallieerden en even later, om 05:52 uur, begonnen ze ook met machinegeweren te schieten. De Duitse aanvalscolonne maakte zich klaar. Enkele minuten later werd het mortiervuur naar voor gelegd als afsluitingsvuur voor de oprukkende Duitsers. Ze staken de IJzer over onder constante beschietingen van de geallieerden.
Enkele dagen later, op 21 maart, brak de hel los over het gehele westfront. De Duitse generaal Erich Ludendorff voerde overal bliksemaanvallen om door de geallieerde linies te breken.
Op 12 april sloegen de Duitsers een bres in de Britse linie van ongeveer 48 km, ten zuidwesten van Ieper, nabij Hazebroek. Veldmaarschalk sir Douglas Haig gaf de Britten de opdracht zich niet terug te trekken en het Britse verzet verdedigde zich uit alle macht. Onder leiding van generaal Plumer lukte het hen op 17 april de Duitsers tot staan te brengen langs de Leie en de Duitse poging de Noord-Franse havens te bereiken was mislukt.
De slachting bij de Kemmelberg begon in de ochtend van 25 april. De hele nacht hadden de Duitsers gasgranaten afgevuurd op de geallieerden, terwijl de Fransen hun stellingen met bombardementen vanuit vliegtuigen verdedigden. Om 06:00 uur bestormden de Duitse Alpenjagers de heuvel en de Fransen moesten zich terugtrekken op de Rodeberg en de Scherpenberg.
De Duitse generaal Erich Ludendorff gaf op 29 april het bevel het offensief op het westfront te staken. Maar een maand later, op 27 mei, kwam hij met een volgend offensief Plan Hagen en de Duitsers rukten verder op naar Parijs. Maar enkele dagen later, rond 4 juni, waren zijn troepen aan het eind van hun krachten en moest hij ook dit offensief staken.
Na nog enkele offensieven aan de Marne in Frankrijk was het duidelijk dat de Duitsers aan de verliezende hand waren. En toen op 8 augustus het Geallieerd Eindoffensief van start ging, gaven de Duitsers zich gewillig over.
Op 28 september verlieten de Duitsers Langemark. Ze werden door honderden kanonnen uit het bos van Houthulst gejaagd, waar ze de voorbije vier jaar ingebunkerd zaten.
De geallieerden verjoegen in de daaropvolgende maanden de Duitsers van het westfront en begonnen zelf ook het terrein te verlaten. De Duitsers lieten enorm veel ongebruikte munitie achter, waaronder veel gifgasgranaten. Dit gifgas werd Yperiet genoemd, omdat het voor het eerst op grote schaal werd ingezet nabij Ieper. Maar het was niet, zoals veel geschiedenisboeken vermelden, de eerste inzet in de geschiedenis. Twee dagen voor Ieper werd bij Nieuwpoort voor het eerst mosterdgas ingezet. Bij inademing van dit gas braakten de slachtoffers hun longen uit.
11 november, 11 uur in de ochtend: wapenstilstand. Aan alle offensieven kwam een eind en enkele dagen later begonnen de Duitsers zich terug te trekken uit de Franse en Belgische streken die ze nog hadden bezet.
De slag om Verdun
Nog wat achtergrond info om de situatie beter te begrijpen.
De Slag om Verdun (21 februari 1916 – 20 december 1916) was een van de bloedigste veldslagen uit de geschiedenis van de Eerste Wereldoorlog. Tot op de dag van vandaag staat hij symbool voor de zinloze slachting van mensenlevens.
Verdun als symbool
Verdun had een grote symbolische betekenis voor het Franse volk. Al in de oudheid speelde het stadje door zijn strategische ligging aan de Maas een belangrijke rol in de verdediging van het achterliggende land. Attila de Hun heeft het stadje nooit kunnen innemen. Bij de opdeling van het rijk van Karel de Grote in 843 werd in het Verdrag van Verdun bepaald dat de stad onderdeel werd van het (Duitse) Heilige Roomse Rijk. Bij de Vrede van Münster in 1648 werd Verdun definitief aan Frankrijk toegewezen.
Verdun speelde een zeer belangrijke rol in de verdedigingslinie die in de periode na de Frans-Pruisische oorlog (1870) werd gebouwd. Langs de Franse oostgrens werd, als bescherming tegen een Duitse bedreiging, een sterke fortengordel aangelegd tussen Verdun en Toul en tussen Épinal en Belfort. Verdun bewaakte de noordelijke toegang tot de Champagne-vlakte en daarmee de toegang tot Parijs.
Ook had Verdun in 1914 standgehouden tegen de aanvallen van de Duitsers en de forten hadden zelfs de beschietingen van de Dikke Bertha's doorstaan. Het garnizoen van Verdun was gehuisvest in de citadel van de stad, in de 17e eeuw gebouwd door Vauban. Aan het einde van de 19e eeuw was er een onderaards gangenstelsel aangelegd dat tijdens de slag dienstdeed als werkplaats, munitieopslag, hospitaal en rustplaats voor de Franse troepen.
Achtergrond van de slag[
De achtergrond van de slag lag in een poging van de Duitse legerleiding om het vastgelopen front in het Westen te doorbreken. De vuurkracht van de kanonnen was daarvoor groot genoeg, maar de beweeglijkheid van de troepen was veel te gering. Tanks en pantservoertuigen waren er (nog) niet en infanteristen konden te voet en zonder bepantsering niet snel genoeg over het stukgeschoten terrein vooruit komen. De oppermachtige mitrailleur (destijds de 'koningin van het slagveld') maakte dat onmogelijk.
De Duitse opperbevelhebber Erich von Falkenhayn had daarom bedacht dat alleen een 'leegbloedingstactiek' kans van slagen had. Hij zocht een plaats in de frontlijn die de Fransen tot het uiterste zouden verdedigen. Daar wilde hij constant aanvallen en zo de gelegenheid krijgen om het hele Franse leger uit te roeien. Hij vond die plek in Verdun, een roemrijke vestingstad die de Fransen nooit zouden opgeven. Daar besloot von Falkenhayn de aanval in te zetten.
De aanval zou vooraf worden gegaan door een moordend trommelvuur. De bedoeling was dat de linies zo platgewalst zouden worden door de granaten, dat de Duitse troepen de stellingen wandelend zouden kunnen innemen. Er werden grote onderaardse onderkomens (zg. Stollen) gegraven om hele eenheden tot vlak voor de slag verborgen te kunnen houden. Dat zou het verrassingselement van de aanval zeer vergroten. Er waren dan geen lange (en vanuit de lucht goed zichtbare!) aanvals- en toevoerloopgraven nodig.
Inderdaad bleef het Franse opperbevel lang onkundig van het dreigende gevaar. Een plaatselijke Franse commandant (luitenant-kolonel Emile Driant) probeerde op allerlei manieren het opperbevel wakker te schudden. Hij wees voortdurend op het grote risico dat men liep bij Verdun. Het had nauwelijks effect. Pas in februari 1916 (toen de Duitse aanval alleen nog vanwege het slechte weer werd uitgesteld) kreeg het Franse hoofdkwartier in de gaten dat er iets vreselijks stond te gebeuren en besloot men extra versterkingen naar Verdun te sturen. Het was maar nauwelijks op tijd. De Duitse aanval had op 12 februari 1916 moeten beginnen, maar begon in werkelijkheid pas op 21 februari. De operatie droeg de sinistere naam Gericht, dat 'oordeel' betekent, maar ook 'plaats van terechtstelling'. De bedoeling was helemaal duidelijk: de slag bij Verdun zou de definitieve afrekening moeten worden van het Franse leger.
De slag om de Marne
Het Duitse leger rukte vanaf begin augustus 1914 op door België, in grote lijnen volgens het Schlieffenplan. Aan het eind van augustus waren de geallieerde legers gedwongen tot een gestage terugtocht in de richting van Parijs. Het oorspronkelijke Duitse plan voorzag in een brede beweging waarbij een grote troepenmacht door het westen van België en Noord-Frankrijk zou trekken, teneinde westelijk en vervolgens zuidelijk van Parijs een tangbeweging te forceren waarbij de Franse troepen ingesloten zouden worden. De opmars werd echter vertraagd doordat de Belgische tegenstand aanmerkelijk heviger was dan verwacht. Hierdoor namen de problemen rond de bevoorrading toe. Tevens werden Duitse troepen op 26 augustus in allerijl naar het Oostfront overgebracht omdat de Russen Oost-Pruisen waren binnengevallen en daarbij aanzienlijke terreinwinsten boekten. Hierdoor werd de Duitse westelijke troepensterkte aanzienlijk uitgedund.
Alexander von Kluck, de bevelhebber van het Eerste Duitse leger, had bij zijn opmars een voorsprong gekregen op het Tweede Duitse leger van Karl von Bülow. Hierdoor ontstond een gat tussen beide legers. Kluck meende tevens dat de British Expeditionary Force al verslagen was, niet meer in staat tot vechten of daartoe niet meer bereid was, en zich in de richting van de zee zou begeven om geëvacueerd te worden. Dat was echter ten onrechte: de Britse minister van oorlog Kitchener had persoonlijk de Britse opperbevelhebber, veldmaarschalk French, bezocht die inderdaad al aan opgeven had gedacht, zoals Kluck veronderstelde, maar Kitchener had hem weten te overtuigen van de noodzaak stand te houden. Kluck meende onterecht dat het verantwoord was om zijn opmars ten oosten van Parijs te verleggen en zo het gat tussen hem en Bülow te dichten. Hiermee stelde hij echter zijn flank bloot aan het Britse leger en het zesde Franse leger.
Op 5 september verlegde Kluck zijn opmars weer terug in westelijke richting, nadat hij bemerkt had dat het Britse leger zijn terugtocht gestaakt had en samen met het Zesde Franse leger zijn opmars hervat had. Hierdoor ontstond opnieuw een gat tussen zijn leger en het tweede Duitse leger onder bevel van Karl von Bülow, hetgeen tijdig door de geallieerden werd opgemerkt en die daarvan snel gebruik maakten. Ze schoven een deel van hun troepen in het gat tussen de twee Duitse legers waardoor de Duitsers het voordeel van een gesloten linie kwijt waren.
De slag
De slag begon op 6 september nadat op 5 september de eerste gevechten waren geleverd bij de rivier de Ourcq. Kluck kreeg in de avond van 5 september opdracht zich terug te trekken op de rivier de Aisne. Tussen 6 en 8 september slaagden de geallieerde troepen erin de Duitse troepen te verslaan, daarbij geholpen door 6000 man die vanuit Parijs in gevorderde taxi's, bussen en vrachtwagens naar het front werden gebracht. (Aan deze taxis de la Marne is in de geschiedenis een doorslaggevende rol toegedicht; historici verschillen hierover echter van mening.)
Op instructie van de Duitse opperbevelhebber Moltke bezocht luitenant-kolonel Hentsch de hoofdkwartieren van de diverse Duitse legers teneinde zich persoonlijk van de situatie op de hoogte te stellen. De verbindingen per radio en telefoon waren gebrekkig. Het beeld dat hem geschetst werd, vooral door Bülow, was dat van een te zeer verspreid geraakt leger, dat het risico liep doorsneden te worden, met het gevaar van een omsingeling van een of meer van de Duitse legers. Met name het gat tussen het Eerste en Tweede Duitse leger werd gevuld door de Britse en Franse troepen. Bülow besloot, tot op zekere hoogte op eigen gezag, tot terugtrekking van zijn Tweede leger. Het Eerste en Derde leger waren daardoor genoodzaakt zich eveneens terug te trekken. Op 10 september bracht Hentsch verslag uit, wat voor Moltke aanleiding was om in persoon de hoofdkwartieren van de diverse Duitse legers te bezoeken. Op 11 september beval hij de algehele terugtocht, over het gehele westelijke deel van het front, tot op de rivier de Aisne.
Door logistieke problemen konden de Franse troepen evenwel hun succesvolle tegenaanval niet volledig uitbuiten door de Duitsers een beslissende nederlaag te bezorgen. De Duitse troepen slaagden erin zich in te graven, wat het begin vormde van de loopgravenoorlog.
Bij de slag waren circa 2,5 miljoen militairen betrokken, van wie circa een half miljoen sneuvelden.
Het vervolg
Door de uitkomst van de Slag bij de Marne werd een snelle Duitse overwinning onmogelijk. De oorspronkelijke vrees van Alfred von Schlieffen was werkelijkheid geworden: de oorlog was nu toch een tweefrontenoorlog geworden. Door de verdeling van hun materieel en troepen over de twee fronten hadden de Duitse legers niet meer genoeg kracht om een beslissende doorstoot aan het westelijke front te forceren en daarmee de Britten en Fransen uit de oorlog te werken. Van de andere kant bezien hadden de Fransen en Britten ook niet genoeg kracht om de Duitse legers uit Frankrijk en België te verdrijven: er was in feite een patstelling ontstaan. Het gehele westelijk front werd een stelsel van loopgraven. In de komende jaren werden slechts zeer geringe terreinwinsten geboekt, ten koste van miljoenen levens. De patstelling zou tot het einde van de oorlog aanhouden.
Het oostelijke front van WOI
Op 28 juni 1914 werd in Serajevo in Bosnië-Herzegovina de Oostenrijkse troonopvolger Franz Ferdinand vermoord.
De daaropvolgende Balkanoorlog, was de derde in een reeks.
De dubbelmonarchie Oostenrijk-Hongarije trok ten strijde tegen Servië.
Dit conflict escaleerde tot de eerste wereldoorlog. Aan de ene kant stonden de Hongaren en Oostenrijkers, maar ook de Duitsers, Tsjechen, Slowaken, Bulgaren en de Turken. De andere kant (de zogenaamde Geallieerden) werd gevormd door de legers van Engeland, Frankrijk, Italie, Servie en Rusland.
Blokkade van Rusland.
De Russische vloot zat gevangen in de havens aan de Zwarte Zee.
De verbinding met de Middellandse Zee ging via de Bosporus (bij Constantinopel), de zee van Marmara en de Dardanellen (bij Gallipoli).
Deze uitweg werd echter geheel beheerst door de Turken.
De geallieerden wilden Rusland wel te hulp komen om de versperde weg naar de Middellandse Zee weer te openen.
De Slag om Gallipoli.
In maart 1915 deden de Geallieerden een aanval op de Dardanellen.
Men wilde via een landing op het schiereiland Gallipoli de Turken terugdrijven naar de andere kant van het water van de Dardanellen of via Constantinopel terug naar Aziatisch Turkije.
Het zou hiermee ook de uitschakeling van Turkije betekenen.
Maar het ging anders.
Verschillende pogingen werden gedaan om de Turken te verdrijven. Zie op het kaartje hiernaast de pijlen vanuit westelijke richting. De tegenaanvallen van de Turken zijn weergegeven met de stippellijnen.
De aanval mislukte echter en tot januari 1916 lagen hier twee legers tegen over elkaar in loopgraven.
Beide partijen verloren ongeveer 250.000 man voordat de geallieerden besloten zich gewonnen te geven en hun soldaten te evacueren.
Een deel van het Turkse leger stond onder het bevel van Moestafa Kemal Pasja, later beter bekend als Atatürk (betekent zoiets als vader des vaderlands).
De ANZAC´s.
Voor de aanval op Gallipoli werd door de Britten een beroep voor hulp gedaan aan een legertje van soldaten uit de Engelse kolonieën, de zogenaamde ANZAC´s. ANZAC staat voor Australian New Zealand Army Corps.
Deze troepen landden op 25 april 1915 aan de westkust van Gallipoli. (zie "Anzac Cove" op kaartje hierboven).
Totaal onbekend met het moeilijke terrein werd het voor de ANZAC´s een regelrechte nederlaag.
Ze verloren ongeveer 10.000 manschappen van de ruim 23.000 soldaten.
Maak jouw eigen website met JouwWeb