Geschiedenis Brugge

Gepubliceerd op 3 oktober 2018 om 08:25

Regelmatig wordt naar Brugge verwezen als het "Venetië van het Noorden", refererend aan de vele kanaaltjes en bruggen. De meeste van deze kanaaltjes worden ook "reien" genoemd, in de volksmond "Reitjes", naar de rivier de Reie. Een andere theorie luidt dat de bijnaam te maken heeft met het feit dat de middeleeuwse handelssteden Brugge en Venetië een vergelijkbare functie hadden: distributie en handel. Ook wordt Brugge vaak de "Breydelstad" genoemd, naar de Brugse volksheld uit de 14e eeuw, Jan Breydel. De bijnaam van de Bruggelingen is "(Brugse) zotten". Deze bijnaam danken ze aan volgende legende: nadat ze Maximiliaan I van Oostenrijk, de latere keizer, in hun strijd om autonomie, voor een tijd gevangen hadden gehouden, verbood deze het houden van een jaarmarkt en andere festiviteiten. In een poging om hem te sussen, hield Brugge voor hem een groot feest en vroeg daarna de toelating opnieuw een jaarmarkt te mogen houden, belastingen te mogen innen én... het bouwen van een nieuw zothuis. Hij antwoordde: "Sluit alle poorten van Brugge en je hebt een zothuis!".

Wilma de Krom in Brugge

Brugge kende als handelscentrum haar grootste bloei tussen 1280 en 1480. In deze periode verbleef er een bont gezelschap van vreemde kooplui met meestal een eigen natiehuis en pakhuizen. Brugge, het meest zuidelijke kantoor van de Duitse Hanze (zie Hanzekantoor van Brugge), werd de belangrijkste en meest zuidelijke handelsvestiging in het buitenland. Het fungeerde daardoor als draaischijf voor de handel tussen Zuid- en Noord-Europa. De Noord-Duitse kooplui verwierven in 1252 een zeer voordelige tolreductie en bezaten zeker in 1458 een huis aan het Krom Genthof, nabij de huidige Woensdagmarkt. De Venetianen waren permanent aanwezig vanaf de eerste decennia van de 14e eeuw. In 1322 werden de eerste consulaten opgericht. In 1397 huurden ze het huis "Ter Ouder Beurse" als loge. In 1395 sloot Filips de Stoute een handelsverdrag af met de Genuezen. Hun consulaat werd in 1397 opgericht in de onmiddellijke omgeving van de Venetiaanse Loge op het toenmalige Beursplein. Dit plein vormde het commerciële en financiële hart van de stad, waar eveneens de eerste beurshandel werd ontwikkeld. Ook de Florentijnen, die een belangrijke rol speelden in de banksector, vestigden zich in de jaren 1420 aan dit plein. De Luccezen richtten in 1369 hun consulaat op aan de Naaldenstraat. De Florentijnse Medicibank was in 1465 in het "Hof Bladelin" gevestigd. Ook de Catalanen waren op het Beursplein vertegenwoordigd. De Castilianen en Basken (Biskajers), die tot 1455 één natie vormden, hadden hun natiehuis en stapelhuizen in de omgeving van het huidige Jan van Eyckplein. De huidige straatnamen Biskajersplein, Spanjaardstraat en Spaanse Loskaai verwijzen naar hun aanwezigheid. De Portugezen hadden vanaf 1493 een natiehuis in de omgeving van de Ridders- en de Sint-Jansstraat. De Engelsen en de Schotten kregen hun belangrijkste privilegie in 1359 en gaven hun naam aan een plein en een straat waar hun consulaat en een weeghuis staan.
Brugge had zich ondertussen ook ontpopt tot een internationaal kunstencentrum. Dankzij het Bourgondische hof kwamen er contacten met reizigers uit alle streken van Europa.

Wilma de Krom in Brugge

Niettegenstaande de bloei als Europees handelscentrum werd de 14e eeuw gekenmerkt door sociale en politieke onrust. Met de groeiende economische macht van de Brugse handelaren kwamen ook eisen naar meer autonomie ten opzichte van het graafschap Vlaanderen naar boven. Een van de hoogtepunten van deze strijd vond plaats in 1302: de Brugse Metten. Na dit bloedbad versloegen de Vlaamse steden, met het grootste deel van de manschappen uit Brugge en het Brugse Vrije, te Kortrijk het Franse leger in de Guldensporenslag. De Gentenaren werden door de toenmalige graaf van Vlaanderen gesust met verlaagde belastingen. Daardoor trokken de Gentse milities niet mee op tegen het Franse ridderleger. In 1304 werd Vlaanderen echter terug tot de orde geroepen na hun nederlaag in de slag bij Pevelenberg.

Brugge steunde ook de Vlaamse opstand van 1323-1328 tegen Frankrijk. Hierdoor werden zware geldboeten opgelegd. De stad ondervond de gevolgen van de stilgelegde woluitvoer tijdens het voorspel van de Honderdjarige Oorlog (1337-1453). In Brugge waren diverse bevolkingscategorieën aanwezig. Naast een welstellende bevolking was er nog veel armoede. Voor de armen werden liefdadigheidsinstellingen opgericht. Passanten, daklozen, pelgrims en arme reizigers vonden tijdelijk onderdak in passantenhuizen. Mersenier Clais Pagant stichtte in de Sint-Niklaasstraat een passantenhuis, dat ook voor bejaardenzorg was bestemd. Later zou het evolueren tot een hospitaal als annex bij het Sint-Janshospitaal. Voor de verarmde bejaarden werden binnen en buiten de eerste omwalling door ambachten en gegoede burgers godshuizen gesticht. Meestal werden de woningen rond een binnentuin of een steegje geschikt, zoals het "Goderickx Convent", Moerstraat nr. 7-17.

Na de regeerperiode van Lodewijk van Male (1346-1384) trad onder Filips de Stoute (1384-1404) een periode van stabiliteit in, alleen verstoord door weveropstanden in 1387 en 1391. Nog tijdens het bewind van Lodewijk van Male werd op de Burg op de plaats van het grafelijke Gijzelhuis het gotische stadhuis gebouwd. Vanaf dan werd de Burg niet langer beheerst door de grafelijke maar door de stedelijke macht. De politieke rol van Brugge in Vlaanderen nam onder de Bourgondiërs af door de opkomst van de kasselrij het Brugse Vrije. Oorspronkelijk vormde Brugge samen met Gent en Ieper "De drie leden". Het Brugse Vrije, het grootste en rijkste plattelandsdistrict, verwierf een plaats in de Vlaamse overlegstructuren.

Tijdens de Bourgondische periode heerste een ware bouwwoede. Grote projecten werden gerealiseerd, zoals de patriciërswoningen "Hof van Gistel" en "Hof Bladelin" aan de Naaldenstraat, het huidige "Hof van Watervliet" of "Hof van Sint-Joris" en het huidige "Huis de Halleux" of "Huis van Zegher de Baenst" aan de Oude Burg, en het "Hof van Miraumont" en "Hof de Gros" aan de Sint-Jakobsstraat. Het Prinsenhof, de grafelijke residentie, werd uitgebreid na de aankoop van aanpalende percelen. De Bourgondische hertogen financierden samen met gilden de verbouwingswerken aan de Sint-Jakobskerk.

Waarschijnlijk bouwden ambachten vanaf de 15e eeuw eigen huizen waar ze hun bestuursvergaderingen hielden en hun archief bewaarden. Ze vormden geen gewoon verenigingslokaal, maar waren bedoeld als statussymbool. Een voorbeeld van dit laatste was het ambachtshuis van de schoenmakers aan de Steenstraat nr. 40, gerealiseerd in 1528. Ambachten sloten ook akkoorden af met parochiekerken om er een eigen kapel in onder te brengen. Binnen de eerste omwalling vonden onder meer het ambacht van de schoenmakers onderdak in de Sint-Salvatorskerk en het ambacht van de kuipers in de Sint-Jakobskerk. Buiten de eerste omwalling kwamen ook ambachtskapellen voor in kloosters, zoals onder meer bij de Augustijnen en de Karmelieten.

Vanaf 1480 kondigde zich een crisissituatie aan. Aan de basis lagen de achteruitgang van de lakenindustrie, de strenge handelsreglementering, de concurrentie van de snelgroeiende handelsmetropool Antwerpen en de politieke omstandigheden. Na de plotse dood van Maria van Bourgondië in 1482 en de opstand van Vlaanderen tegen Maximiliaan van Oostenrijk kreeg Brugge onder het bewind van deze laatste (1493-1519) zware klappen: het Zwin was gedurende tien jaar niet meer toegankelijk door een opgelegde blokkade, en de vreemde naties moesten op bevel van Maximiliaan de stad verlaten. Door de aanvoer van Spaanse wol viel de buitenlandse handel echter niet volledig stil. In 1494 vroegen de Bruggelingen aan Maximiliaan om de hoge staatsschulden te herzien. De stad kon zich toch nog enigszins in stand houden en beschikte nog steeds over enkele internationale contacten met Spanje en Engeland, was een belangrijk regionaal centrum (vooral in textiel), en bleef ook in de kunst meespelen, onder andere met Hans Memling.

Wilma de Krom in Brugge

In de periode van de Oostenrijkse Nederlanden kende de stad een economische heropbloei. Een aantal belangrijke infrastructuurwerken die invloed hadden op het middeleeuwse handelscentrum binnen de eerste omwalling werden in deze periode uitgevoerd. Het graven van de Coupure in 1751-1753 maakte een verbinding mogelijk met het kanaal naar Gent. Dit leidde tot een verschuiving van het commercieel centrum van de omgeving van de Grote Markt en de Spiegelrij naar de Coupure. De haveninfrastructuur binnen de eerste omwalling raakte in onbruik. De Sint-Jansbrug en de Waterhalle verdwenen en de Kraanrei werd tot aan de Grote Markt in twee fasen overwelfd. In plaats van de houten kraan op de hoek Vlamingstraat en Kraanplein werd ca. 1771-1772 een vleeshal in classicistische stijl gebouwd. Een classicistisch complex op de Grote Markt, dat een twintigtal panden omvatte met onder meer herbergen en het lokaal van de Société Littéraire, verving vanaf 1787-1791 de Waterhalle. Als tegenhanger van dit project werd aan de noordelijke zijde van de Grote Markt ter hoogte van de in 1786 verdwenen Sint-Christoffelkerk een laatclassicistische eenheidsbebouwing opgericht in 1792. Deze stijl vond bij het vervangen van oudere panden navolging in privé-woningen. De evolutie van gebouwen, stijlen en schaalvergrotingen is gekend via iconografische bronnen en bouwvergunningen vanaf eind 18e eeuw, bewaard in het Stadsarchief. Op initiatief van keizer Jozef II werden in 1784 de kerkhoven in de steden afgeschaft. Rondom de Sint-Salvatorskerk werd deze ruimte herleid tot een tuin, aan de Sint-Jakobskerk ontstond een plein. Er werden ook een aantal kloosters afgeschaft, zoals het jezuïetenklooster in 1773 en het kartuizerinnenklooster in 1783.

Wilma de Krom in Brugge

De nu nog bewaarde waterpompen wijzen op een vernieuwing van de bestaande openbare watervoorziening. Ze vervingen de fonteinputten die aangesloten waren op de reeds in de middeleeuwen bestaande moerbuizen. In 1756 werd een pomp naar ontwerp van beeldhouwer P. Pepers op de Eiermarkt geplaatst. Een classicistische arduinen armpomp verving een waterput op het Sint-Jansplein in 1786. De van 1820 daterende armpomp in de Sint-Amandsstraat werd er opgericht na de afbraak van de Sint-Amandskapel. Op een onbekend tijdstip werd een pomp geplaatst op het beboomde Simon Stevinplein, aangelegd in 1821 na het slopen van het Westvleeshuis.

Wilma de Krom in Brugge

Onder het Franse bewind werd Brugge hoofdplaats van het Leiedepartement. De prefect kreeg een residentie in het nieuw opgetrokken laatclassicistisch project aan de oostelijke zijde van de Grote Markt. De sekwestratie van religieuze goederen verliep op diverse wijze. Sommige bedehuizen werden hergebruikt, zoals de jezuiëtenkerk, vanaf 1779 als parochiekerk en vanaf 1796 als Tempel der Wet. Andere werden gesloopt, zoals de Sint-Donaaskathedraal op de Burg en de Sint-Janskapel op het nu gelijknamige plein. De vrijgekomen gronden werden aangelegd als nieuwe pleinen of gebruikt voor het invoegen van gebouwen met nieuwe functies. Na de afbraak van de Sint-Donaaskathedraal op de Burg verwierf de stad ca. 1807 opnieuw de gronden. In 1810 werd de Burgstraat aangelegd als verbinding met de Philipstockstraat, en werden de resterende pleinruimten beplant. Andere religieuze instellingen als kloosters werden verkocht als "nationaal goed" en aansluitend hergebruikt voor diverse doeleinden. Het jezuïetencomplex aan de Verversdijk werd in 1775 een cavaleriekazerne terwijl het Theresiaans college in 1780 de vleugel aan de Boomgaardstraat betrok; de aula deed vanaf 1792 dienst als vergaderplaats voor de revolutionaire jacobijnenclub. Het voormalige kartuizerinnenklooster werd aan het leger toegewezen. In de nasleep van de Franse Revolutie werden de beelden uit de nissen van het stadhuis gehaald en vernield. Bij keizerlijk decreet van 1806 werden de stadsvestingen terug aan de stad verkocht. Van dan af werden ze ontmanteld en als wandelweg ingericht. Dit sloot aan bij een in de 19e eeuw ontstane promenade-traditie. Ca. 1900 werden binnen de vesten, tussen 't Zand en de Komvest, boulevards aangelegd die overwegend met woningen voor gegoede burgers werden bebouwd.

Wilma de Krom in Brugge
Wilma de Krom in Brugge